Hoofdsponsors

De Kramsvogel

(Turdus pilaris)

Deze wintergast komt samen met de koperwieken naar Nederland om te overwinteren. Ze komen van Scandinavië op zoek naar voedsel wat bestaat uit bessen en vruchten. Regelmatig voeden zij zicht ook met wormen die ze vinden op akkers en graslanden.

Ze zoeken hun beschutting in de heggen op bouwland, bosranden en heidevelden. Bij slecht weer en als de bessen en vruchten op zijn trekken ze verder naar t zuidwesten tot aan Noord-Frankrijk.

Deze kramsvogel, die het formaat heeft van een flinke merel, zo’n 25 cm en 80 tot 120 gram wegend, veelvuldig voor. Ook heeft hij iets weg van de grote lijster en/of een zanglijster maar onze kramsvogel heeft vanaf de buik tot halverwege onder de vleugel grotendeels wit. Dat is zijn typisch kenmerk. Zijn grijze kop met de nek bruin, met de spikkels op de buik, wordt ie vaak verward met een lijstersoort. Net als alle lijsters vluchten ze in de heggen in de buurt als ze worden verstoord. Wachtend tot t gevaar geweken is gaan ze daarna verder met foerageren.

De kramsvogel laat een vrolijk geratel horen in de vorm van tjsak,tjsak, tjsak. De kramsvogel komt veel voor in grote groepen vooral na sneeuwval of stevige wind. In de zomer bouwen ze hun nest op de open toendra’s maar ook in parken of dennenbossen. Het vrouwtje legt 4 eieren die na 4 weken uitkomen en als de jongen dan na veertien dagen uitvliegen.

 

Kramsvogel Geert Lamers