Hoofdsponsors

Bruine en witte knobbelzwanen.

Voor het onderdeel genetica is het soms mooi dat er rond school in het Industriehaven kanaal zwanen rondzwemmen die de praktische uitleg geven (ongeveer). Hieronder een foto van het zwanenpaar met hun 5 jongen. De knobbelzwanen populatie in Nederland is grofweg onder te verdelen in drie groepen: de wilde Poolse knobbelzwanen, de nazaten van de tamme knobbelzwanen en de kruisingen tussen beide groepen. De Poolse nazaten hebben grijze poten, de tamme knobbelzwanen hebben zwarte poten. Dat is op deze foto niet te zien. Maar de verenkleur is duidelijk: 4 bruine jongen en 1 witte jonge. Als beide ouders zuiver van soort zijn ( één van Poolse komaf en één van de tamme tak, die kans is echter klein)) en bruin de dominante kleur van de kuikens zou zijn dan zouden alle jongen bruin zijn. Als wit in die situatie dominant zou zijn zouden alle kuikens wit zijn. Als de verhouding 4 staat tot 1, (ongeveer 25% - 75%) geeft aan dat het meest logische is dat bruin dominant is maar dat beide ouders heterozygoot zijn. In de meest simpele kruisingsvorm krijg je dan dat man Bb als basis heeft en dat vrouw ook Bb als basis heeft. Dus beide zijn ooit nazaat van een kruising tussen beide verschijningsvormen van de knobbelzwaan. B staat voor bruin, b staat voor wit. Dit in een kruisingsschema geeft dat 25 procent van de jongen BB is (homozygoot voor Bruine jongen) 50% van de jongen Bb (heterozygoot voor bruin is, ze zijn bruin maar dragen ook het witte gen bij zich dat nu wordt overschaduwd door het gen voor de bruine kleur) en dat 25 % van de jongen homozygoot voor wit is (bb geeft zuiver witte jongen). Als verschijningsvorm krijg je dan 75 % bruine jongen en 25 % witte jongen. Dat is ongeveer de verhouding die je op de foto ziet.

Is deze redenering nou waterdicht?

Welnee, maar het geeft wel een mooi voorbeeld hoe vererving werkt bij dieren.