Hoofdsponsors

De Merel (Turdus merula)

Vroeger kon je de merel alleen aantreffen ver van de bewoonde wereld, het was een echte bosvogel. Sinds de tweede helft van de vorige eeuw is hij steeds verder opgedrongen naar parken en tuinen. Zijn vroegere schuwheid heeft hij praktisch geheel afgelegd en momenteel is hij er zelfs niet meer weg te denken. Hij behoeft geen nadere beschrijving en is bij iedereen bekend. Het mannetje is geheel zwart met een gele snavel en gele oogringen, het vrouwtje is nagenoeg geheel bruin.

In de lente vindt er een strijd plaats om de gunst van een vrouwtje en duidelijk ook om het territorium.

Merel Jos Wijnenl

Ze broeden 2 a 3 keer per jaar. Het legsel bevat 4 a 6 blauw gespikkelde eieren. Na 14 dagen broeden komen ze uit. De jongen worden voornamelijk gevoed met wormen. Na 14 dagen verlaten ze het nest. Omdat ze de eerste dagen nog niet goed kunnen vliegen vallen veel jonge merels ten prooi aan katten, eksters en gaaien. De jonge merels zijn net als de volwassen vrouwtjes, bruin van kleur. In de herfstrui krijgen de jonge mannen hun nieuwe zwarte verenpak, Alleen de vleugelpennen blijven nog bruin.

Merels worden in de vrije natuur niet oud, meestal 2 a 3 jaren.

De laatste jaren zijn er grote aantallen ten gronde gegaan aan het Usutu-virus de ‘Merel-ziekte’. Dit virus treft hoofdzakelijk de merels, en men vermoed dat het via trekvogels uit de zuidelijke landen via Duitsland naar Nederland is overgebracht. De hoop is dat de overgebleven merels immuun zullen zijn tegen dit virus, en dat via deze vogels de populatie zich weer zal herstellen.

Dit jaar speelt nog een ander probleem wat zeker ook de merels treft n.l. de bestrijding van de buxusmot met pesticiden. Door de extreem droge lente en zomer kunnen ze geen regenwormen vinden om hun jongen te voeren, en zijn ze aangewezen op rupsen en andere insecten. Ik heb ze regelmatig op buxusstruiken zien zitten en u raad het al, als deze met gif behandeld zijn zullen ook de rupsen dit gif bevatten met alle gevolgen van dien.

Merel 2 Jos Wijnen 

Zodra de merel ergens op een grasveld neerstrijkt loopt hij met snelle passen een stuk vooruit. Als iets aan de bodem beweegt is zijn volle aandacht hierop gericht. Hij kijkt scherp naar de plaats waar hij iets zag bewegen, spurt er naar toe en stoot zijn snavel in de grond of tussen het gras. Meestal heeft hij dan wel een worm of iets dergelijks te pakken. Wanneer hij tussen afgevallen bladeren rondsnuffelt, draait hij met zijn snavel de bladeren om op zoek naar insecten. Op deze wijze vindt hij: slakjes, oorwormen, torretjes, rupsen, larven, aardwormen enz. enz.

Als de aardbeien en kersen rijp zijn kunnen ze daar graag van snoepen en zich daardoor het ongenoegen van menig “hovenier” op de hals halen. Maak u hier niet boos over en scherm het gewas tijdig af met een net. Hij beloont u met zijn uitbundige en melodieuze zang.

Het is prachtig als hij op een hoge boomtak gezeten, met welluidende akkoorden de dag begroet of hem ter ruste zingt.

De zang van de merel wordt door deskundigen hoger aangeslagen dan het lied van een zanglijster. Zelfs Beethoven heeft in het derde deel van zijn vioolconcert het lied van de merel, zoals hij het heeft afgeluisterd, verwerkt.

Tot de volgende keer en dank voor uw belangstelling. Jos Wijnen (Foto’s: Jos Wijnen).