Welkom bij Vogelwerkgroep ’t Hökske

een vereniging van vrijwilligers die zich inzet voor vogels
en hun leefomgeving in de regio Sevenum en Horst

Vogelbalans

In het begin van een nieuw jaar is het meestal de gewoonte om eens terug te kijken naar het afgelopen jaar en dan de plussen en de minnen eens met elkaar te vergelijken. De laatste jaren wordt er dikwijls over de teruggang van de diversiteit gesproken. Dat is natuurlijk ook zo, maar laten we ook eens naar de positieve dingen gaan kijken. Door de verandering van het klimaat verandert de biodiversiteit, dus ook de vogelstand, maar daar zitten ook positieve kanten aan.

Vogels die vroeger nooit hier broeden maar nu wel. Dit heeft echter niet altijd met het veranderde klimaat te maken. Bijvoorbeeld voor het eerst broeden er nu Grote Zaagbekken in Nederland. Normaal brengen die hier alleen de winter door en trekken die tegen het voorjaar naar noord Scandinavië of Rusland om daar te broeden. Dit jaar werden er in het Ketelmeer minimaal drie vrouwtjes met jongen ontdekt. Voor Middelste Zaagbekken geldt hetzelfde maar deze broeden al enkele jaren in Nederland met name in Zeeland, onder ander in het Veerse meer. Van mei tot eind juli hebben er IJseenden verbleven bij de Markerwadden, die normaal ook naar het noorden zouden zijn vertrokken. Dit geldt ook voor een paar baltsende Brilduikers op het Veluwe meer die daar de hele zomer verbleven. Hiervan en van de IJseenden zijn geen broedresultaten bekend. Wel een zestal Nonnetjes, de kleinste zaagbekken soort die normaal hier alleen de winter doorbrengen, hebben net als een aantal voorgaande jaren in Friesland gebroed. De Roodhalsfuten die voornamelijk in midden en oost Europa broeden en weinig in west Europa hadden jongen in de duinen van Ameland. De Kuifduiker een kleine futensoort die normaal op IJsland, Schotland en Scandinavië broedt was in de zomer baltsend in het Fochteloërveen gezien. Opvallend was dat er in het najaar 2024 een groot aantal Kwakken, een kleine reigersoort, verbleef op het leegveld bij Liessel in de Peel. Dit jaar waren ze daar grotendeels weg maar werden er een nog groter aantal waargenomen in de Banen bij Nederweert-Eind. Ook het aantal Kraanvogels die hier broeden neemt bijna elk jaar toe. Er hebben afgelopen jaar minimaal 75 broedparen gebroed, waaronder ook 2 paren in de Deurnse peel waarvan er 1 succesvol was. Ook trekken ze niet allemaal meer door naar Frankrijk of Spanje om daar te overwinteren, al kwamen er afgelopen herfst nog duizenden over tijdens de trek.

Van de grootste uil de Oehoe hebben we zelf ervaren dat die de laatste jaren enorm toeneemt, ook in onze omgeving. Deze zijn in een jaar tijd van ongeveer honderd territoria toegenomen tot 129 bekende territoria. Van de Raven weten we dat die het in Nederland en ook bij ons in de buurt het goed doen. Van de grote roofvogels als Zeearend is bekend dat die het al jaren goed doet, dit jaar hebben minimaal 43 paartjes gebroed en 33 jongen gekregen. Maar ook de Visarend rukt op, ze zijn dit jaar van zes naar elf paar toegenomen. Enkele minder bekende soorten zoals de Rode Wouw nam ook toe tot 41 paar dit jaar. De Zwarte Wouw blijft nog wat achter maar er waren toch al zes paar. Ander roofvogels zoals de kiekendieven doen het daarentegen de laatste jaren slechter. We kunnen nog een heleboel vogels opnoemen waar het slechter mee gaat, maar laten we dit jaar positief bekijken.

Tot volgende keer Toon Selten.

Foto@Geert Custers

De Ringmus.

De Ringmus heeft een voorkeur voor boomrijk agrarisch cultuurland. Vooral aan de rand van dorpen en bij boerderijen is het een vogel die om het huis is aan te treffen. Soms wonen Ringmussen in bij Ooievaars. De Ringmus lijkt veel op de Huismus maar heeft een roodbruine kop, lichte wangen met een donkere wangvlek, klein zwart befje en een witte bijna doorlopende nekrand. De rug en vleugels zijn bruin van kleur met een witte vleugelstreep. Man en vrouw zijn gelijk.
Ze broeden eind april – juli, soms in kolonies. Ze hebben twee en soms drie legsels van 2 -7 eieren met een broedduur van 11-14 dagen. Ze broeden in natuurlijke holtes, in schuren, onder dakpannen en in nestkasten. Soms aan de zijkant van nesten van Ooievaars of Buizerds. De jongen verlaten na 15-20 dagen het nest.

De Ringmus komt vooral voor in kleinschalig cultuurlandschap met bouwland en in dorpen. Vroeger waren ze ook talrijk in bossen en duinen. In een omgeving met veel struikgewas, weilanden met vee en vooral ook oude bomen met enkele holten zijn Ringmussen te vinden. Het zijn holenbroeders, die ook profiteren van voor Koolmezen opgehangen nestkasten.
Ringmussen leven vooral van graan, onkruidzaad en insecten.
De Ringmus is een standvogel. Sommige Nederlandse vogels zwerven in de winter rond en kunnen tot in Frankrijk belanden. Maar het merendeel van de broedvogels blijft hier. Ze krijgen in de winter gezelschap van soortgenoten uit Noord- en Oost-Europa. In oktober trekken groepen noordelijke en oostelijke Ringmussen door die in maart/april weer onopvallende terugvliegen naar hun eigen broedgebieden.

Het aantal Ringmussen is de laatste jaren fors afgenomen. De stand van deze soort is sinds 1990 gehalveerd. Het aantal broedparen in Nederland is ongeveer 25000 tot 38000 (2018-2020). De veranderingen in de landbouw, het vervangen van graanteelt door maiscultuur, het opruimen van heggen en houtwallen en grootschalig gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen zorgen voor een platteland dat steeds minder geschikt is voor veel diersoorten, waaronder de Ringmus. Ze kampen daardoor vooral met voedseltekort en afnemende nestgelegenheid. De grootste problemen doen zich vermoedelijk voor bij de overleving, in de periode tussen het uitvliegen van de jongen en het volgende voorjaar. Ringmussen zijn standvogels en vooral jonge vogels zullen het dan op ons, voor zaadeters voedselarme platteland, moeilijk hebben. Bepalend door de toekomst van de Ringmus is de vraag of agrarisch landgebruik voldoende voedsel voor de Ringmus oplevert. Het zou hierbij helpen als er verspreid liggende voedselrijke perceeltjes of overhoekjes met graan of onkruid in stand gehouden worden. Ook het behoud van allerlei landschapselementen, zoals houtwallen en hoogstamboomgaarden helpt mee. Een dichte heg met inheemse struiksoorten als meidoorn, sleedoorn, Spaanse aak en liguster biedt beschutting zodat ook bewoners van het buitengebied veel kunnen betekenen voor de Ringmus.

Hans-Peter Uebelgünn.

Foto@Geert Custers

Raven schaars maar interessant.

Veel mensen denken bij het zien van een grote zwarte vogel direct aan Kraaien. De meeste kennen ook nog wel Kauwen omdat ze veel kleiner zijn. Maar dat we ook nog zoiets als Roeken en Raven hebben weten de meeste niet. Van de laatste de Raaf is dat niet zo verwonderlijk.

Halverwege de vorige eeuw zijn ze door vervolging uit Nederland verdwenen. Het laatste broedgeval was in 1944 in Zuid Limburg. In de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw heeft men ze opnieuw geïntroduceerd op de Veluwe. Aanvankelijk verliep dat nog niet zo succesvol. Maar na verloop van tijd blijkt het achteraf toch wel een geslaagd project. Men schat het aantal broedparen inmiddels op 240 tot 280. Ook bij ons in de buurt worden ze waargenomen, in de buurt van de Schatberg en Toverland en in de Hamert.

Als men een Kraai en een Raaf naast elkaar zou zien, zou men het verschil direct zien. Een Raaf is veel groter en is 54 tot 67 cm groot met een spanwijdte van de vleugels van maar liefst 120 cm. Ik heb eens een opgezette Raaf gezien in het vogelinformatiecentrum op Texel. Als je alleen al de snavel ziet is het om bang van te worden. Zo zwaar en lang deze is, voor de helft bedekt met bevedering. Verder zijn ze helemaal zwart met een groene paarsblauwe glans. Ook het geluid dat ze maken is heel anders dan van de Kraai, het is een zware rauwe kroa kroa. We waren met de vogelwerkgroep in Zweden op een plek waar de Steenarend veel voorkwam. Dit doen we eens in de 5 jaar voor leden die dat willen. We liepen daar een rondje en op een gegeven moment meenden we een groepje kraanvogels te horen. Toen we achter het bos kwamen waar we ze meenden te horen, bleek het een groep Raven te zijn. Dat waren waarschijnlijk vrijgezellen want als Raven eenmaal een paar vormen blijven ze net als alle kraaiachtigen hun hele leven bij elkaar.

Broeden doen ze in de kruin van een boom soms zelfs tot op 30 meter hoogte. Ze beginnen al vroeg in het jaar zo vanaf eind februari. Dan leggen ze 4 tot 6 eieren die na 20 tot 25 dagen uitkomen. Ze blijven 4 tot 7 weken op het nest en daarna blijven ze er nog een tijd rondhangen. Een maal gevestigd blijven ze goed plaats trouw. Voedsel zoeken doen ze tot in een straal van wel 30 km.

Raven zijn alles eters en bekend is dat ze ook veel kadavers eten. Op televisie zie je in natuurfilms, dat ze wolven lokken door hun gekras, zodat die het voorwerk doen als een kadaver bevroren is. De Raaf staat op de rode lijst van Nederlandse broedvogels. Dat betekend dat beschermende maatregelen nodig zijn.

Nu de winter aanbreekt heb je meer kans om Raven te zien, want er overwinteren in Nederland elk jaar tussen de 800 en 1.000 vogels. Als je ze te zien krijgt is het de moeite waard om ze eens goed te bekijken al is het maar een zwarte vogel, het is wel een interessante vogel.

Tot een volgende keer Toon Selten.

Foto@IVN