Welkom bij Vogelwerkgroep ’t Hökske

een vereniging van vrijwilligers die zich inzet voor vogels
en hun leefomgeving in de regio Sevenum en Horst

Klik hier voor:

Jaarverslag 2025

Futen, mooie vogels

Deze watervogel zien we in onze directe omgeving niet zo vaak. Maar wie verder van huis gaat ziet ze ongetwijfeld. Vooral in het westen van het land waar veel water is zitten ze overal. Ook in de steden komen ze veelvuldig voor op de grachten. Doch ook in onze omgeving op wat groter water, zoals de Maas en Maasplassen, maar ook op vennen in de Peel zijn ze te zien.

Vroeger werd er op deze watervogel gejaagd vanwege zijn mooie veren. Deze zijn in het voorjaar en zomer op z’n mooist. Daardoor is het aantal in de loop der tijd erg achteruit gegaan. Gelukkig hebben ze zich weer in aantal hersteld. Momenteel schat men het aantal broedparen in ons land weer op 11000 tot 16000. In de winter verblijft er ongeveer het dubbele aantal.
Ze hebben gelobde poten waarmee ze uitstekend kunnen zwemmen. Omdat de poten zover naar achteren staan kunnen ze op het land moeilijk lopen, maar uitstekend duiken.
Vooral om hun balts gedrag zijn ze bekend. We hebben dat allemaal wel eens op de TV gezien. Het kopschudden en elkaar wat aanreiken, is wel bekend. Vooral het synchroon maken van alle bewegingen maakt ze bijzonder. Dit gedrag is ook bekend bij andere futen soorten. Ze bouwen hun nest tussen het riet, vaak drijvend, samengesteld uit plantenresten, riet en ook dikwijls afval materiaal wat er op het water drijft. Uiterlijk is er geen verschil tussen man en vrouw. Het vrouwtje legt 3 of 4 vuilwitte eieren. Waarschijnlijk broeden ze allebei. De broedtijd is 25 tot 29 dagen. De kuikens krijgen van de ouders wat donsveertjes gevoerd. Dit is waarschijnlijk om ze te leren eten, maar ook om hun maag te beschermen tegen de visgraatjes die ze ongetwijfeld binnen krijgen. Bekend is ook dat ze de eerste dagen veel op de rug van de ouders vertoeven. Kuikens fluiten hard om voedsel. Ze worden 10 tot 11 weken door de ouders gevoerd. Een enkele keer gaan ze over tot een tweede broedsel.
Als de jongen groot genoeg zijn vertrekken de ouders dikwijls naar grote wateren zoals het IJsselmeer en de Randmeren of in wateren van de Zeeuwse Delta om daar te ruien. In de winter verblijven ze ook met duizenden op zee samen met vogels die hier de winter doorbrengen. Het is een hele mooie sierlijke vogel die echt bij ons waterrijke landje hoort.

Tot een volgende keer Toon Selten.

Kleine Zilverreiger

De Kleine Zilverreiger is iets kleiner dan de Grote Zilverreiger die we in onze streken vaker zien. Het is een opvallende sierlijke vogel met een zwarte snavel en zwarte poten met opvallend gele tenen en een lengte van ongeveer 65 centimeter. Bij volwassen vogels vallen in de broedtijd de sluiervormig afhangende sterk verlengde kruin- en schouderveren op.

Hij is de meest voorkomende witte reiger in Europa. De Kleine Zilverreiger heeft een groot verspreidingsgebied dat omvat bijna heel Afrika, Indonesië, Australië en Japan.
Bij ons is hij een zeldzame, onregelmatige zomergast. Vooral in de Zeeuwse delta en het Waddengebied is hij in de lente en zomer vrij regelmatig te zien. De Kleine Zilverreiger was bijna aan zijn schoonheid ten onder gegaan. Hij werd in het verleden zwaar belaagd om zijn sierveren aan zijn kruin, hals en schouders. Die werden vroeger gebruikt om hoeden en dure jurken te verfraaien. De soort stierf bijna uit maar door beschermende maatregelen heeft hij zich plaatselijk weer kunnen vestigen. Het aantal broedparen in ons land betrof in 2023: 100-115 paren waarvan de meeste op de Waddeneilanden. In Europa komen Kleine Zilverreigers vooral voor in Zuid-Europa, Nederland vormt zo’n beetje de noordelijke grens van hun verspreidingsgebied. Door klimaateffecten en bescherming zijn de aantallen in West-Europa toegenomen. De soort is erg gevoelig voor strenge winters, als hun foerageergebied dichtvriest kunnen ze niet meer bij hun voedsel en zullen er velen van honger sterven. Hun voedsel bestaat voornamelijk uit kleine visjes, stekelbaars, maar ook kreeftachtigen en weekdieren. Het zijn voortreffelijke vissers waarbij ze druk heen en weer rennen om prooien te vangen. Hun voedsel zoeken ze bij voorkeur in ondiep water, in moerassen, in slootjes maar ook in geulen en kwelders.

Ze broeden bij voorkeur in kolonies maar bij kleinere aantallen ook in kolonies van Grote Zilverreigers, Blauwe Reigers en Lepelaars. De broedkolonies liggen aan de waterkant. Hun nesten bouwen ze in bomen vaak in dennen, populieren of wilgen, maar ook wel op de grond. Het nest wordt gemaakt van takken. Het mannetje belast zich met het zoeken naar bouwmaterialen die hij braaf naar zijn vrouwtje brengt. Zij construeert daar dan een klein, broos platvorm van waarop ze drie tot vijf blauwgroene eieren legt. Beide ouders broeden afwisselend in 25 dagen deze eieren uit. Daarna duurt het nog zeven weken voordat de jongen uitvliegen.
Om de winterse kou te ontwijken trekken de meeste Kleine Zilverreigers naar Afrika, maar een groot gedeelte van de populatie overwinterd tegenwoordig in Zuid-Europa. De trekkers gaan in de periode augustus-oktober op weg en keren in maart-april terug naar hun broedgebied. Al hebben de Europese populaties van de Kleine Zilverreiger zich gestabiliseerd er blijft toch reden tot zorg. Door veranderende teeltmethoden in de landbouw, ontwatering van moerassen en ook stadsuitbreiding gaan sommige populaties toch weer achteruit.

Tot een volgende keer: Jos Wijnen

Foto@Jos Wijnen

De Veldleeuwerik hoort ook bij de lente.

Laatst zag ik op het journaal van België dat de Veldleeuwerik, zoals ik begrepen had, door het publiek gekozen was tot vogel van het jaar. Ze lieten de vogel daar ook zien en horen. En meteen gingen mijn gedachten terug naar mijn jeugd. Ouderen onder ons, of moet ik tegenwoordig senioren zeggen, zullen bij het horen van de zang denk ik dezelfde ervaring hebben. In de tijd dat ik thuis op het veld werkte, dat is inmiddels 60 tot 70 jaar geleden, ging je in het voorjaar met plezier naar akker- of weiland. De lucht was dan vol zang van Kievit, Grutto en Veldleeuwerik. Vooral de laatste was indrukwekkend zoals hij al zingend hoog ten hemel klom, zodat je hem nog nauwelijks zag, daar geruime tijd bleef zingen en dan weer naar beneden zeilde.

Wij hadden op twee plaatsen grond van huis, hooggelegen akkerland tegen de bossen en weiland op slecht ontwaterde peelgrond. Hoewel je op het akkerland tegen de bossen uiteraard veel bosvogels hoorden, had mijn voorkeur toch het weiland waar het jongvee liep. Daar moesten we dagelijks gaan kijken en water pompen maar dat was geen straf als je al die vogels hoorden tierelieren. Vooral zondags “s morgens als er niemand aan het werk was en ook de vliegbasis Volkel stil was, waar dat dicht bij lag, dan kon ik daar wel een uur alleen maar luisteren naar de vogels.

Helaas is het sinds die tijd bergaf gegaan. De Veldleeuwerik is sinds die tijd met 95% afgenomen. Niet alleen met de Veldleeuwerik, maar met alle weide en akkervogels is het in Brabant en Limburg treurig gesteld. Het is een zeldzaamheid als men ze nog eens hoort en ziet. Alles is ontwaterd en verkaveld. De wallen tussen de percelen zijn verdwenen. De landbouwmachines zijn zo groot dat er geen slootkanten overblijven. En dat waren met name de plaatsen, waar de Veldleeuweriken broeden en waar ook de weidevogels moesten kunnen schuilen en insecten als voedsel zoeken. Naast deze veranderingen in het leefgebied, is ook de diversiteit in gewassen sterk achteruitgegaan. Veel graan heeft plaats gemaakt voor maïs. Waar nog graan is, betreft het veelal wintergraan wat in het voorjaar al snel te groot is om ideaal te zijn om in te broeden. Bovendien missen ze in de herfst en winter het stoppelveld wat belangrijk is voor overleving buiten het broedseizoen.

We zullen maatregelen moeten nemen om het tij te keren. De weidevogels zullen hier wel niet helemaal verdwijnen maar terugkrijgen zoals geweest is, zullen we wel niet meer beleven. Ondanks dat er in het westen en noorden van ons land en dankzij subsidies veel voor wordt gedaan. Maar hier zijn de gebieden van de akkervogels. Door ander beheer en andere gewassen is er misschien toch wat aan te doen. In de Hamsterreservaten in zuid Limburg doen de Veldleeuweriken het goed, omdat daar naast het graan ook voldoende kruiden aanwezig zijn. Er worden op enkele plaatsen in ons land proeven gedaan met zogenaamde voedselveldjes. Dit zijn veldjes waar veel kruiden op gezaaid zijn. Deze trekken veel zaad etende zangvogels aan. Ook proeven met zogenaamde faunaranden laten positieve resultaten zien. Dit zijn randen langs de akkers van ± 12 meter. Deze worden ingezaaid met grasmengsels en blijven onbewerkt. De diversiteit zorgt voor voldoende aanbod van voedsel. Doch niet alleen vinden ze hier de nodige insecten, ze gaan er ook in broeden. Hiervan profiteren dikwijls niet alleen de Veldleeuwerik, maar ook de Graspieper en Gele Kwikstaart. Jammer genoeg zijn deze proeven alleen mogelijk in het kader van agrarisch natuurbeheer en zal er in de reguliere landbouwgebieden niks van te merken zijn.  Alleen als dit op grootschalige manier wordt uitgevoerd kan men het tij keren. Het is de hoogste tijd.

Tot een volgende keer. Toon Selten.