De Aalscholver | 27 april 2019

In het land van de grote rivieren, in de nabijheid van meren en plassen voelt de aalscholver (Phalacrocorax carbo) zich thuis. Ook hier bij ons in de Mariapeel huist een kolonie aalscholvers. In  2018 werden er door leden van de vogelwerkgroep zo’n 45 nesten geteld. De aalscholverstand in ons land is toegenomen van zo’n 3.500 broedparen in 1950 naar ruim 17.000 nu. Deze vogels houden van “gezelligheid” en het ligt dus voor de hand dat de aalscholver een koloniebroeder is. Het is een prachtig gezicht de grote donkere vogels reeds vroeg in het voorjaar in de nog kale bomen bij hun grote takkennesten te zien zitten. Het vliegbeeld doet heel eventjes denken aan dat van een eend. De hals en de snavel zijn bij het vliegen enigszins geheven, iets wat we ook waarnemen als de vogel op het water drijft.

Ze zijn niet gauw verzadigd. Wat te zeggen van een aalscholver, die in gevangenschap ’s morgens 26 en ‘s middags 17 voorns van 20 centimeter lengte opat? De schade aan de visstand toegebracht kan dus vrij groot zijn.

aalscholverJos Wijnen

Aalscholver (Phalacrocorax carbo) ©Jos Wijnen

 

In sommige landen o.a. Zuidwest China wordt nog altijd door de lokale bevolking gevist met aalscholvers. Ze maken de vogels tam en richten ze dan in ongeveer 6 maanden af om te vissen. Met een bootje en een stuk of vijf aalscholvers varen ze een meer op. Ze doen de vogels tijdelijk een touwtje om de hals en laten hem dan de vis opduiken. Door dat touwtje kan hij de vis niet doorslikken en zo kan de visser hem uit de bek van de aalscholver halen. Op deze manier kan een visser per dag wel tot 50 kg vis vangen. De vis wordt al duikend en zwemmend onder water gevangen. De haakvormige punt aan de bovensnavel bewijst hierbij goede diensten. Bij dit duiken worden de veren nat en vaak zien we de aalscholver met uitgespreide  vleugels zitten om het natte verenpak te drogen. In de broedtijd hebben de volwassen vogels een witte vlek op de dijen, in de winter raken ze deze weer kwijt en hebben ze een grijs gezicht. De nesten liggen vaak hoog in de bomen. De hoogste plaatsen worden het eerst bezet. Vogels die later beginnen te nestelen, moeten zich met lager gelegen plaats tevreden stellen en bij nijpende woningnood broeden ze zelfs op de grond. Door de uitwerpselen zijn de bomen geheel “witgekalkt”. Het broeden begint reeds heel vroeg in het voorjaar (februari). In het nest, een bouwsel van takken, liggen de drie of vier witte eieren. Na vier weken broeden komen de jongen uit. Met trillende keelzak  (transpireren) zitten de naakte jongen in het nest. Het kworr-karr geroep is niet van de lucht, zodat we een aalscholverkolonie zeker wel op het gehoor kunnen vinden. Worden de jongen, na hardnekkig bedelen, gevoerd, dan steken ze de snavel diep in de bek van de oude vogel. We zien de hals van de laatstgenoemde flink opzwellen, voedsel wordt opgebraakt en verdwijnt in de gulzige snavels van de jongen. Na het grootbrengen van het eerste broedsel komt het wel voor, dat nog een tweede broedsel grootgebracht wordt. Is dit het geval, dan wordt doorgebouwd op het oorspronkelijke nest, ligt daarin toevallig nog een dood jong, de aalscholver bouwt rustig verder en men kan zich dus indenken, dat de geur in zo’n aalscholverkolonie verre van aangenaam is. Dit wordt nog versterkt door de lucht van vogelmest, vermengd met de stank van rottende vis, die bij het voeren over de nestrand is gevallen. Dit is wel een ietwat onsmakelijk einde van dit verhaal, maar wel puur natuur.

 

Dank voor het lezen en tot de volgende keer, Jos Wijnen.

Top