Blauwe reiger | soortbeschrijving

De blauwe reiger (Ardea cinerea) is een vogel uit de reigerfamilie (Ardeidae), een vlees- en viseter, zoals vissen, kreeften, amfibieën, insecten en kleine zoogdieren (muizen en mollen). Een grote vogel met een lengte van ongeveer 90 tot 98 centimeter, met een lichaamsgewicht tot 2 kilogram. Het mannetje en het vrouwtje zien er ongeveer hetzelfde uit, beide geslachten hebben een grijze bovenzijde, grijze vleugels met zwarte vleugeluiteinden en een grijze staart. De kop is wit met een zwarte rand om het oog, die doorloopt in de kuif, een witte hals heeft een witte kleur met zwarte lengtestrepen aan de voorzijde en een lichtgrijze buik. De snavel is geel tot geeloranje, dolkvormig, maar kleurt in de broedtijd soms naar roodachtig. De poten zijn bruin, soms roodbruin, en lang.

 

 

De reiger vliegt met langzame, zware en diepe vleugelslagen, matig snel, soms een kleine zweefvlucht. De nek is tijdens de vlucht s-vormig ingetrokken en de poten steken achter het lichaam uit, vleugels zijn rond, met zwarte uiteinden en een zwarte band over de achtervleugel.

Als onderscheid tussen andere soorten reigers kun je de blauwe reiger herkennen aan een relatief grote lichaamslengte, grijze bovenzijde, witte kop en hals met brede, zwarte streep van het oog naar de zwarte, sierlijk afhangende kuif.

 

In de vlucht laat de blauwe reiger een diep, rauw "schraatsj" of "grrèngk" horen. In het vroege voorjaar, ook in de nacht, een baltsroep van de man op het nest. Op het nest snavelgeklapper en verschillende rauwe, krassende en kokkerende geluiden, ook van de jongen.

 

De blauwe reiger broedt van februari tot in juni, in bomen, struiken of riet en tegenwoordig ook in stedelijke gebieden. Het nest is vrij groot en plat en bestaan uit takken, gevoerd met takjes, gras en veertjes.  Het enige legsel per jaar bestaat uit 3 tot 5, zelden 6, ongevlekte, bleek blauwgroene eieren zonder glans, gemiddeld 60x43 mm, vaak bevuild, die ongeveer 23 tot 28 dagen worden bebroed door zowel het mannetje als het vrouwtje, vanaf het eerste ei. De jongen blijven zo'n 50 dagen op het nest en daarna nog zo'n 10 tot 20 dagen bij het nest.

De vogel is een solitaire soort, maar broedt in grotere of kleinere kolonies. 

 

De habitat bestaat uit vochtige weiden, sloten, meren, rivieren en de (Wadden-)zeekust in het verspreidingsgebied; Europa, Zuid-Azië (behalve Iran) en in meer geïsoleerde gebieden zoals Zuid-Afrika en Madagaskar. De broeddichtheid is nergens in Europa zo groot als in Nederland. Vorst is een probleem voor blauwe reigers; veel reigers trekken daardoor in de winter weg. Degene die besloten hebben om te blijven kunnen sterven als de vorst dan aanhoudt.

Terug