Boerenzwaluw | soortbeschrijving

De boerenzwaluw (Hirundo rustica) is een vogel uit de familie zwaluwen (Hirundinidae). Zijn naam verwijst naar de voorkeur van zijn broedgebied, ze bouwen de nesten o.a. in boerderijen, schuren en stallen op het platteland. Dit is terug te zien in de Engelse naam 'barn swallow', wat 'schuurzwaluw' betekend en in het Frans 'hirondelle rustique', wat 'landelijke zwaluw' betekent. Zelfs in de wetenschappelijke naam 'Hirundo rustica' wordt naar het platteland verwezen. Reeds duizenden jaren leeft de boerenzwaluw in de nabijheid van de mens, zoals onder andere blijkt uit vermeldingen in de literatuur van de Oude Wereld. Als aankondiger van de lente wordt de boerenzwaluw door veel boeren gezien als brenger van geluk, terwijl hij bij zeelieden symbool staat voor een veilige thuisvaart. 

Boerenzwaluw KLEIN Herm NelissenBoerenzwaluw ((Hirundo rustica) ©Herm Nelissen

 

De boerenzwaluw is een opvallende verschijning door zijn blauwzwarte verenkleed met een lange gevorkte staart en door zijn grote wendbaarheid in de vlucht tijdens de jacht op vliegende insecten, hoofdzakelijk muggen. Rood voorhoofd en kin met een zwarte borstband. Het lichaam is roomwit, slank en gestroomlijnd, erg korte nek en lange smalle vleugels, dus goed uitgerust voor een lange vlucht. De korte poten en kleine tenen hebben weinig spieren in vergelijking met die van andere vogelsoorten en worden relatief weinig gebruikt om te rusten of zich vast te houden. Met de korte, brede snavel vangen ze grote insecten en om te drinken vliegen ze vlak boven het wateroppervlak en steken hun snavel in het water.

 

Bij het mannetje zijn de buitenste staartpennen aanzienlijk langer dan bij het vrouwtje, wat geslachtsbepaling vergemakkelijkt. Verder zijn bij het vrouwtje de blauwzwarte veren doffer van kleur, de onderzijde van hun vleugels bleker, het gewicht gemiddeld meer dan het mannetje. Ook heeft het vrouwtje een grotere snavel en grotere poten. De juveniel lijkt sterk op de volwassenen, maar heeft wat kleine verschillen in het verenkleed, zoals de donkere veren zijn aan de bovenkant bruiner en doffer, de lichte veren aan de onderkant witter en de steenrode veren op keel en voorhoofd bleker. Bovendien heeft een juveniel nog niet de lange, diep gevorkte staartveren. 

 

 Lengte  14,5-20 cm, gemiddeld 17-19 cm
 Vleugelspanwijdte  ♂ 32-34,5 cm
 Gewicht  ♂ 16-22 gram ♀ tot 24 gram
   
   
   

 

Ze maken een kwetterend, zeer snelle zang tijdens de vlucht en bij het nest.

 

De boerenzwaluw broedt in in los kolonieverband, tussen mei en augustus, in landelijke gebieden met voldoende water. Koppels metselen hun nest van modder, klei en leem, vermengd met speeksel op randen en richels in koeien-, varkens- of paardenstallen, maar ook onder bruggen of aan sluizen of onder brede dakoverstekken. Het legsel bestaat uit 2 tot 7 eieren, meestal 3 tot 6, die 12 tot 16 dagen worden bebroed. De jongen verblijven 20 tot 24 dagen in het nest en met slecht weer zelfs langer. Ze brengen in het broedseizoen twee of drie broedsels groot, alvorens weer naar de overwinteringsgebieden te trekken.

 

Een groot deel van zijn leven brengt de boerenzwaluw in de lucht door. Het is een trekvogel, dagtrekker, die grote afstanden aflegt. In september en oktober verzamelen ze zich voor de lange groepsreis naar het zuiden. De Nederlandse boerenzwaluwen, overwinteren in west- en centraal-Afrika, tussen Ivoorkust en Angola, waarna ze in de lente, tussen eind maart en begin juni, met een piek in mei, terugkeren naar ons land  trekken voor de voortplanting.

Terug