Welkom bij Vogelwerkgroep ’t Hökske

een vereniging van vrijwilligers die zich inzet voor vogels
en hun leefomgeving in de regio Sevenum en Horst

Knobbelzwanen “nu” een normale verschijning.

Het woord “nu” geeft al aan dat dit in het verleden anders is geweest. Als we teruggaan in de tijd dan blijkt er uit oude geschriften dat er hier reeds in 1300 Knobbelzwanen werden gehouden. Dit was toentertijd alleen voorbehouden aan edellieden. Al vanaf Karel de Grote was het bezit van zwanen voorbehouden aan de koning. Bij wijze van gunst werd dit ook aan edellieden toegestaan. Hiervoor werd een “pluimgraaf” aangesteld die toezicht hield dat deze rechten stipt werden nageleefd. Hij was ook de enige die slagpennen van zwanen mocht verkopen voor schrijfgerei.

Deze zwanen werden gehouden in zogenaamde “Zwanendriften” “Zwanenvlotten” of “Zwanenjachten”. Dit heeft niets met jagen te maken maar het was een zogenaamd “Heerlijk recht” met de nadruk op heer die deze mocht houden. De adel mocht op hun beurt weer derden aanwijzen om voor hen zwanen te houden.
Omstreeks de zestiende eeuw werden zwanen op grote schaal gekweekt voor het vlees en de pennen. De meeste van deze zwanendriften kwamen voor in Zuid-Holland en Friesland. In Mantgum Friesland is tot op heden nog een zwanendrift in gebruik van een oud adellijk geslacht, de Fam. Galema. Het slot “Hoxwier” van deze machtige familie is verdwenen, maar de zwanendrift is er nog steeds. In de jachtwet van 1857 wordt dit recht nog genoemd.

Wilde Knobbelzwanen kwamen, in beperkte mate, hier alleen overwinteren uit noordelijke en oostelijke gebieden. Van broedgevallen in het wild is niets bekend. Sinds eind negentiende eeuw de “Heerlijke rechten” verwaterden gingen ook boeren zwanen houden voor onder anderen het vlees, dat werd toen nog veelvuldig gegeten, maar vooral voor de dons. Deze zwanen waren geleewiekt en liepen vrij in de polder. Als ze ergens broeden werden de jongen ook weer geleewiekt. Iedere boer bracht zijn eigen kenmerken aan door middel van krassen op de snavel en gaatjes of sneetjes in het teenvlies. De tekens stonden geregistreerd in een zogenaamd “Zwanenboek”. Ook hingen er borden in de plaatselijke cafés waarop deze merktekens waren afgebeeld, zodat iedereen zag of iemand zijn eigen zwanen verhandelde.

Nu zijn er twee variëteiten in kleur bij de Knobbelzwaan te onderscheiden. De normale vogels hebben zwarte poten, donkerbruine ogen en grijze dons. In jeugdkleed zijn ze grijs van kleur en worden pas het tweede jaar wit. De andere variant, de zogenaamde “Poolse” zwanen hebben lichte vleeskleurige poten en meer lichtbruin tot blauwgrijze ogen en witte dons. De jongen zijn in jeugdkleed reeds wit. Deze “Poolse” zwaan stamt af van de zwanen die door de boeren gehouden werden i.v.m. de witte dons die meer opbracht. Sinds 1930 hebben voor het eerst niet geleewiekte zwanen in Nederland gebroed. Dit was een uitgezet paar bij Giethoorn. Doordat overwinterende zwanen zich koppelden aan de hier verblijvende zwanen, nam na de oorlog het aantal overzomerende zwanen elk jaar toe. Deze wilde Knobbelzwanen met grijze dons vermengden zich met de zogenaamde “Poolse”. Dit zien we heden ten dage nog als we koppels met jongen zien, soms hebben ze zowel grijze, als witte jongen. In 1979 werden er naast de vogels in de Zwanendrift te Mantgum nog 10 professionele zwanenhouders geregistreerd met elk ongeveer 20 broedparen. Leuk is om te weten dat in die tijd de prijzen van levende Knobbelzwanen varieerde tussen de 12,50 en 20 gulden per stuk. Deze prijzen waren lager dan voorheen. Dus is sinds die tijd het houden van deze zwanen voor handelsdoeleinden snel verdwenen. De meeste ziet men gelukkig in de vrije natuur, zelfs hier in het zuiden. Wil men ze massaal zien dan moet men in de ruitijd naar de randmeren en het Markermeer gaan kijken, daar verblijven ze dan met honderden.

Tot een volgende keer Toon Selten.      

Foto@Geert Custers

Vogelbalans

In het begin van een nieuw jaar is het meestal de gewoonte om eens terug te kijken naar het afgelopen jaar en dan de plussen en de minnen eens met elkaar te vergelijken. De laatste jaren wordt er dikwijls over de teruggang van de diversiteit gesproken. Dat is natuurlijk ook zo, maar laten we ook eens naar de positieve dingen gaan kijken. Door de verandering van het klimaat verandert de biodiversiteit, dus ook de vogelstand, maar daar zitten ook positieve kanten aan.

Vogels die vroeger nooit hier broeden maar nu wel. Dit heeft echter niet altijd met het veranderde klimaat te maken. Bijvoorbeeld voor het eerst broeden er nu Grote Zaagbekken in Nederland. Normaal brengen die hier alleen de winter door en trekken die tegen het voorjaar naar noord Scandinavië of Rusland om daar te broeden. Dit jaar werden er in het Ketelmeer minimaal drie vrouwtjes met jongen ontdekt. Voor Middelste Zaagbekken geldt hetzelfde maar deze broeden al enkele jaren in Nederland met name in Zeeland, onder ander in het Veerse meer. Van mei tot eind juli hebben er IJseenden verbleven bij de Markerwadden, die normaal ook naar het noorden zouden zijn vertrokken. Dit geldt ook voor een paar baltsende Brilduikers op het Veluwe meer die daar de hele zomer verbleven. Hiervan en van de IJseenden zijn geen broedresultaten bekend. Wel een zestal Nonnetjes, de kleinste zaagbekken soort die normaal hier alleen de winter doorbrengen, hebben net als een aantal voorgaande jaren in Friesland gebroed. De Roodhalsfuten die voornamelijk in midden en oost Europa broeden en weinig in west Europa hadden jongen in de duinen van Ameland. De Kuifduiker een kleine futensoort die normaal op IJsland, Schotland en Scandinavië broedt was in de zomer baltsend in het Fochteloërveen gezien. Opvallend was dat er in het najaar 2024 een groot aantal Kwakken, een kleine reigersoort, verbleef op het leegveld bij Liessel in de Peel. Dit jaar waren ze daar grotendeels weg maar werden er een nog groter aantal waargenomen in de Banen bij Nederweert-Eind. Ook het aantal Kraanvogels die hier broeden neemt bijna elk jaar toe. Er hebben afgelopen jaar minimaal 75 broedparen gebroed, waaronder ook 2 paren in de Deurnse peel waarvan er 1 succesvol was. Ook trekken ze niet allemaal meer door naar Frankrijk of Spanje om daar te overwinteren, al kwamen er afgelopen herfst nog duizenden over tijdens de trek.

Van de grootste uil de Oehoe hebben we zelf ervaren dat die de laatste jaren enorm toeneemt, ook in onze omgeving. Deze zijn in een jaar tijd van ongeveer honderd territoria toegenomen tot 129 bekende territoria. Van de Raven weten we dat die het in Nederland en ook bij ons in de buurt het goed doen. Van de grote roofvogels als Zeearend is bekend dat die het al jaren goed doet, dit jaar hebben minimaal 43 paartjes gebroed en 33 jongen gekregen. Maar ook de Visarend rukt op, ze zijn dit jaar van zes naar elf paar toegenomen. Enkele minder bekende soorten zoals de Rode Wouw nam ook toe tot 41 paar dit jaar. De Zwarte Wouw blijft nog wat achter maar er waren toch al zes paar. Ander roofvogels zoals de kiekendieven doen het daarentegen de laatste jaren slechter. We kunnen nog een heleboel vogels opnoemen waar het slechter mee gaat, maar laten we dit jaar positief bekijken.

Tot volgende keer Toon Selten.

Foto@Geert Custers

De Ringmus.

De Ringmus heeft een voorkeur voor boomrijk agrarisch cultuurland. Vooral aan de rand van dorpen en bij boerderijen is het een vogel die om het huis is aan te treffen. Soms wonen Ringmussen in bij Ooievaars. De Ringmus lijkt veel op de Huismus maar heeft een roodbruine kop, lichte wangen met een donkere wangvlek, klein zwart befje en een witte bijna doorlopende nekrand. De rug en vleugels zijn bruin van kleur met een witte vleugelstreep. Man en vrouw zijn gelijk.
Ze broeden eind april – juli, soms in kolonies. Ze hebben twee en soms drie legsels van 2 -7 eieren met een broedduur van 11-14 dagen. Ze broeden in natuurlijke holtes, in schuren, onder dakpannen en in nestkasten. Soms aan de zijkant van nesten van Ooievaars of Buizerds. De jongen verlaten na 15-20 dagen het nest.

De Ringmus komt vooral voor in kleinschalig cultuurlandschap met bouwland en in dorpen. Vroeger waren ze ook talrijk in bossen en duinen. In een omgeving met veel struikgewas, weilanden met vee en vooral ook oude bomen met enkele holten zijn Ringmussen te vinden. Het zijn holenbroeders, die ook profiteren van voor Koolmezen opgehangen nestkasten.
Ringmussen leven vooral van graan, onkruidzaad en insecten.
De Ringmus is een standvogel. Sommige Nederlandse vogels zwerven in de winter rond en kunnen tot in Frankrijk belanden. Maar het merendeel van de broedvogels blijft hier. Ze krijgen in de winter gezelschap van soortgenoten uit Noord- en Oost-Europa. In oktober trekken groepen noordelijke en oostelijke Ringmussen door die in maart/april weer onopvallende terugvliegen naar hun eigen broedgebieden.

Het aantal Ringmussen is de laatste jaren fors afgenomen. De stand van deze soort is sinds 1990 gehalveerd. Het aantal broedparen in Nederland is ongeveer 25000 tot 38000 (2018-2020). De veranderingen in de landbouw, het vervangen van graanteelt door maiscultuur, het opruimen van heggen en houtwallen en grootschalig gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen zorgen voor een platteland dat steeds minder geschikt is voor veel diersoorten, waaronder de Ringmus. Ze kampen daardoor vooral met voedseltekort en afnemende nestgelegenheid. De grootste problemen doen zich vermoedelijk voor bij de overleving, in de periode tussen het uitvliegen van de jongen en het volgende voorjaar. Ringmussen zijn standvogels en vooral jonge vogels zullen het dan op ons, voor zaadeters voedselarme platteland, moeilijk hebben. Bepalend door de toekomst van de Ringmus is de vraag of agrarisch landgebruik voldoende voedsel voor de Ringmus oplevert. Het zou hierbij helpen als er verspreid liggende voedselrijke perceeltjes of overhoekjes met graan of onkruid in stand gehouden worden. Ook het behoud van allerlei landschapselementen, zoals houtwallen en hoogstamboomgaarden helpt mee. Een dichte heg met inheemse struiksoorten als meidoorn, sleedoorn, Spaanse aak en liguster biedt beschutting zodat ook bewoners van het buitengebied veel kunnen betekenen voor de Ringmus.

Hans-Peter Uebelgünn.

Foto@Geert Custers