Huiszwaluw | soortbeschrijving

De huiszwaluw (Delichon urbicum) is een vogel uit de familie van zwaluwen (Hirundinidae) en dankt zijn naam aan zijn gewoonte om te broeden tegen gebouwen. In tegenstelling tot de boerenzwaluw maakt de huiszwaluw zijn nest meestal aan de buitenkant van een woning. Een paartje bouwt samen het nest en kiest als locatie meestal een gebogen hoek onder een overhang, zodat het nest aan meerdere zijden bevestigd kan worden. Ze hebben kennelijk een voorkeur voor schuin overhangende dakranden boven dakranden die loodrecht op de gevel staan. Het is een dagactieve vogel en bevindt zich vrijwel altijd in grote kolonies met soortgenoten en andere zwaluwsoorten, waarmee hij samen roest, broedt en jaagt.

 

 Lengte  13 - 15 cm
 Vleugelspanwijdte  26 - 29 cm
 Gewicht  13,3 - 23 gram, gemiddeld 18
   
   

 

Het verenkleed is blauwzwart op de bovenkant, bovenste helft van de kop en korte, lichtgevorkte staart met uitzondering van het gedeelte achter de vleugels, dat wit is, zoals aan de onder- of buikzijde. Bruine ogen, kleine zwarte snavel en korte, roze poten, die voor een groot gedeelte bedekt zijn met witte veren. Er is geen verschil tussen het mannetje en het vrouwtje. De juveniel mist de blauwe gloed in zijn zwarte veren en heeft bovendien witte vlekken en randen op zijn veren.

 

De huiszwaluw heeft een ingetogen, borrelende, kwetterende zang en een raspende roep.

 

Het voedsel van de huiszwaluw bestaat voornamelijk uit vliegende insecten, voornamelijk vliegen en bladluizen, die hij in de vlucht vangt op een gemiddelde hoogte van 21 meter. Ze jagen binnen een straal van 450 meter rond het nest en maken lange glijvluchten en sparen zo meer energie dan de meeste andere insectenetende vogels. Ook volgen ze regelmatig dieren of landbouwvoertuigen die insecten verstoren, gemakkelijker voedsel vangen. Een behendige vlieger en zelfs in staat om tijdens de vlucht water te drinken. In Europa komen meer zwaluwen voor, met uitzondering rond de Middellandse Zee; zoals de boerenzwaluw die zich vooral met grotere insecten voedt, de oeverzwaluw  die overwegend op kleinere insecten jaagt en de nachtzwaluw die in de schemer en nacht vliegt. In het wintergebied jaagt de huiszwaluw op een gemiddelde hoogte van 50 meter en voedt hij zich vooral met vliegende mieren en andere vliesvleugeligen. Er bestaat geen voedselconcurentie door deze verschillende voedingspatronen en de grootte en aantal van de insecten. 

 

De huiszwaluw broedt gewoonlijk in kolonies waarin de nesten zo dicht op elkaar worden gebouwd dat ze elkaar vaak raken. Gewoonlijk bevinden zich minder dan tien broedpaartjes in een kolonie, maar er zijn kolonies aangetroffen met duizenden nesten. Het komvormig nest wordt gebouwt van klei en zand.  Per jaar worden er 2 broedsels grootgebracht, waarbij de jongen van het eerste broedsel vaak hun ouders helpen bij het grootbrengen van hun broertjes en zusjes. Het nest wordt goed onderhouden en gerepareerd, tweemaal gebruikt per jaar, tot zelfs jaren. Het legsel bestaat uit 4 tot 5 witte eieren (1,9x1,33cm groot en 1,7 gram zwaar), die 14 tot 16 dagen worden bebroed. De jongen verblijven 22 tot 32 dagen in het nest, afhankelijk van het weer. 

 

De juvenielen verzamelen zich in de herfst, in groeiende zwermen in bomen of op daken. Vanaf eind juni tot oktober start de trek naar hun overwinteringsgebieden. Tussen half april en juni, met een piek in mei, keren ze terug uit hun overwinteringsgebied naar hun broedgebied.

Terug