Klapekster | soortbeschrijving

De klapekster (Lanius excubitor) uit de familie der klauwieren, een typische klauwier met lange staart en haaksnavel. Bovenkant en kruin lichtgrijs, onderkant wit, zwart masker (teugel tot oorstreek), zwarte vleugels met witte vlek en zwarte staart met witte rand. Het vrouwtje heeft soms een dwarsgestreepte borst. De juveniel is grijsbruin met een dwarsgestreepte onderkant. De vlucht is sterk golvend, en soms kun je de klapekster zien "bidden".

De roep is een scherpe triller, iets dalend,  er is een verschil tussen lokroep 'tsjek-tsjek' en alarmroep, een kort 'èk-èk', maar wordt weinig gehoord. De zang is een mengeling van onderdrukte scherpe en melodieuze geluiden, met 'tru' en 'kiehrr' wordt nog minder gehoord omdat ze alleen in de winter hier voorkomen. De klapekster kan ook imiteren.

Klapeksters zitten vaak op een uitkijkpost, hun staart is voortdurend in beweging. Ze zijn meestal solitair en agressief. In de winter kunnen ze een voedselterritorium bezetten. Hun voedsel bestaat uit kleine vogels, kleine zoogdieren, kikkers en hagedissen. De buit wordt vastgeklemd tussen takken, en soms opgeprikt. Uit onderzoek van braakballen blijkt dat 's winters vooral (mest)kevers het slachtoffer zijn, maar ook zangvogels en muizen worden regelmatig verschalkt.

 

De klapekster trekt alleen, vooral 's nachts. De meesten verlaten vanaf de nazomer met als piek september–oktober hun broedgebied in Scandinavië en keren daar in maart-april weer terug. In Nederland is sinds 1999 geen broedgeval meer waargenomen.

 

Terug