×

Fout

[SIGPLUS_EXCEPTION_SOURCE] Image source is expected to be a full URL or a path relative to the image base folder specified in the back-end but aalscholver ID is neither a URL nor a relative path to an existing file or folder.

Golfhorst | Project Nestkast

In 2019 zijn nestkasten opgehangen bij de Golfhorst.

     

 

Deze nestkasten worden voor, tijdens en na het broedseizoen meerdere malen gecontroleerd. De gegevens van elke nestkast (zoals het soort boom en in welke omgeving zich deze bevindt), worden op een zogenaamde nestkaart vermeld. Op deze kaart worden tijdens de controles ook alle andere gegevens ingevuld, zoals bijvoorbeeld: het tijdstip van begin met nestbouw, op welke datum is het eerste ei gelegd, het aantal eieren, het aantal jongen enz. Natuurlijk wordt ook het soort vogel wat in de betreffende nestkast broedt daarop vermeld.

    

 

De contactpersoon van NESTKAST 'Golfhorst' is:

 

 Hans Appeldoorn

Terug

Vogelweek | 2021

Met spanning wachten we af waar we in 2021 een week naar toe gaan om vogels te spotten

Klapekster | soortbeschrijving

De klapekster (Lanius excubitor) uit de familie der klauwieren, een typische klauwier met lange staart en haaksnavel. Bovenkant en kruin lichtgrijs, onderkant wit, zwart masker (teugel tot oorstreek), zwarte vleugels met witte vlek en zwarte staart met witte rand. Het vrouwtje heeft soms een dwarsgestreepte borst. De juveniel is grijsbruin met een dwarsgestreepte onderkant. De vlucht is sterk golvend, en soms kun je de klapekster zien "bidden".

De roep is een scherpe triller, iets dalend,  er is een verschil tussen lokroep 'tsjek-tsjek' en alarmroep, een kort 'èk-èk', maar wordt weinig gehoord. De zang is een mengeling van onderdrukte scherpe en melodieuze geluiden, met 'tru' en 'kiehrr' wordt nog minder gehoord omdat ze alleen in de winter hier voorkomen. De klapekster kan ook imiteren.

Klapeksters zitten vaak op een uitkijkpost, hun staart is voortdurend in beweging. Ze zijn meestal solitair en agressief. In de winter kunnen ze een voedselterritorium bezetten. Hun voedsel bestaat uit kleine vogels, kleine zoogdieren, kikkers en hagedissen. De buit wordt vastgeklemd tussen takken, en soms opgeprikt. Uit onderzoek van braakballen blijkt dat 's winters vooral (mest)kevers het slachtoffer zijn, maar ook zangvogels en muizen worden regelmatig verschalkt.

 

De klapekster trekt alleen, vooral 's nachts. De meesten verlaten vanaf de nazomer met als piek september–oktober hun broedgebied in Scandinavië en keren daar in maart-april weer terug. In Nederland is sinds 1999 geen broedgeval meer waargenomen.

 

Terug

Oeverzwaluw | soortbeschrijving

De oeverzwaluw (Riparia riparia) is een zangvogel uit de familie van de zwaluwen (Hirundinidae), een sociale vogel en brengt een groot deel van zijn leven door in het gezelschap van andere zwaluwsoorten. De volwassen vogel is 12 tot 13 cm groot en weegt 11 tot 19,5 gram, dof grijsbruin aan de bovenkant en vrijwel wit aan de onderkant, bruine borstband, een relatief kleine zwarte snavel, donkerbruine poten en een korte, lichtgevorkte staart. De juveniel heeft rossige vlekken op de staartveren. De vlucht is snel en schokkerig.

   

De oeverzwaluw laat een kwetterend en zoemend lied horen dat tijdens de vlucht continu doorgaat. Alleen als deze zwaluw zit daalt het volume en zijn er meer pauzes in de zang. Luide alarmkreten laat de oeverzwaluw horen als een roofvogel of een andere natuurlijke vijand nadert. Het voedsel bestaat uit kleine insecten, zoals knutten, bladluizen en kleine kevers. Er bestaat onderling met andere zwaluwsoorten weinig voedselconcurentie, omdat de meeste andere zwaluwsoorten op grotere insecten jagen. De oeverzwaluw scheert vaak laag boven het water jagend op insecten die afhankelijk van water zijn voor hun voortplanting. Ze broeden in kolonies van midden tot eind mei, 1 tot 2 legsels per jaar, in tunnels van tien centimeter tot ruim een meter, uitgegraven in zand of grind in steile oevers, afgravingen en gronddepots. Over het algemeen wordt elk jaar een nieuw nest uitgegraven, maar soms graaft een oeverzwaluw een oud nest verder uit en gebruikt deze voor een nieuw broedjaar. Het aantal nesten in een broedkolonie varieert van een tiental tot enkele honderden. Soms bevinden zich de holtes dicht op elkaar, bij grote kolonies, om ruimte te besparen. Het nest wordt met stro en veren in een ruimte aan het eind van de gegraven tunnel gebouwd. Het legsel bestaat uit 4 tot 6 dofwitte eieren, grotendeels bebroed door het vrouwtje. Zij heeft een broedvlek aan de onderzijde van haar lichaam. Deze speciale plek is neit met veren bedekt, zodat er zo weining mogelijk lichaamswarmte verloren gaat. 

 

De oeverzwaluw heeft het hele jaar door een voorkeur voor een gebied vlakbij grote waterpartijen, zoals rivieren, meren en soms zelfs de oceaan. In gebergten komt hij derhalve vrijwel niet voor. Ze hebben, op één (de boerenzwaluw) na het grootste verspreidingsgebied van de zwaluwen, grote delen van Noord-Amerika, Europa en Azië. Rond eind maart zijn ze terug in hun broedgebied en rond augustus verzamelen ze zich om tot aan het eind van september te vertrekken naar hun overwinteringsgebieden in Zuid-Amerika, Afrika en de Zuidoost-Aziatische eilanden.

Terug

 

 

 

 

Weidevogels | @ Weidevogelbescherming

1. Kievit, Foto: Geert Lamers
2. Kievitseieren, Foto: Andre Seijkens
3. Grutto, Foto: Geert Lamers
4. Grutto met jongen, Foto: Geert Lamers
5. Wulp, Foto: Geert Custers
6. Wulp jong, Foto: Geert Lamers
7. Scholekster, Foto: Geert Lamers
8. Tureluur, Foto: Huub Crommentuyn

 

Terug

 

Watervogels | @ Watervogeltellingen

01. Wilde eend man,Foto: Nora Nelissen
02. Grauwe gans, Foto: Ramon Nelissen
03. Bergeend, Foto: Geert Custers
04. Nijlgans met beverrat, Foto: Ramon Nelissen
05. Kuifeend WML-plas, Foto: Ramon Nelissen
06. Knobbelzwaan, Foto: Ramon Nelissen
07. Brandgans, Foto: Geert Lamers
08. Fuut, Foto:Geert Lamers
09. Grote zaagbek, Foto: Geert Custers
10. Zomertaling, Foto: Geert Lamers
11. Topper, Foto: Geert Custers
12. Casarca, Foto: Geert Lamers

 

Terug

Citroenkwikstaart | soortbeschrijving

De citroenkwikstaart (Motacilla citreola) lijkt op de gele kwikstaart, lettend op de grootte en het postuur, maar heeft een langere staart en een dubbele vleugelstreep, wat kenmerkend is in alle kleden. Het volwassen mannetje heeft in het broedkleed een citroengele kop, borst en buik en een smalle donkere halsband. Het vrouwtje heeft een iets bredere, gele oogstreep die rond de oorstreek doorloopt als onderscheid van het gele kwikstaart vrouwtje. 

image bird motacilla citreola 1200x498 enature.qa

Citroenkwikstaart ©enature.qa

 

In West-Europa is de citroenkwikstaart een vrij zeldzame dwaalgast. In Nederland tussen 1984 en 2000; 13 en tussen 2000 en 2013 24 bevestigde waarnemingen.

 

 

Northern Citrine Wagtail of Motacilla c.citreola Pallas, 1776 

De man heeft een donkergrijze rug

Verspredingsgebeid van de nominaat is Noordoost-Europa tot Midden Siberië.

 

Western Citrine Wagtail of Motacilla c.werae (Buturlin, 1907) 

De man heeft een lichtere asgrijze rug dan de nominaat.

Verspreidingsgebied van de ondersoort is Oost-Europa en breidt zich uit richting het westen (broedt regelmatig in de Baltische staten, Noord-Polen, Belarus (Wit-Rusland). Oekraïne richting het oosten naar Rusland.)

 

Zwartrugcitroenkwikstaart of Southern Citrine Wagtail of Black-backed Citrine Wagtail of Motacilla c. calcarata Hodgson, 1836 

De man heeft een zwarte of donkergrijze rug. Soms ontbreekt de intensiviteit op het achterste deel van de rug en wordt de kleur.

Verspredingsgebied is Iran oostwaarts naar het Himalayan gebergte.

 

Terug

Grote gele kwikstaart | soortbeschrijving

De grote gele kwikstaart (Motacilla cinerea) heeft een grijze rug, gele buik, bruin-zwarte vleugels. Het mannetje heeft in de broedtijd een zwarte keel. Grote gele kwikstaarten hebben een opvallende lange, zwarte staart waarbij de buitenste pennen wit zijn. In de vlucht kun je een witte streep op de ondervleugel zien.

 

De roep klinkt ongeveer als stiet of tzie-tiet. Bij alarm gaat het over in suu-iet. De zang van de grote gele kwikstaart bestaat uit een reeks van lokroepachtige tonen. 

In Nederland en België komt de grote gele kwikstaart het gehele jaar voor. Het verspreidingsgebied in Europa: Britse eilanden, Scandinavië, west-Europa tot het Iberisch schiereiland (Spanje en Portugal) en de eilanden in de Middellandse zee, zoals Mallorca.  In het voorjaar en 's zomers zijn ze te vinden in de buurt van waterstroompjes, vooral in de bergen en heuvels. De vogel nestelt in holten in de buurt van water. 's Winters bevinden ze zich bij lager gelegen water en aan de kust. 

 

Grote Gele Kwikstaart KLEIN Geert Lamers

Grote gele kwikstaart ©Geert Lamers

 

 

Van de in totaal 6 ondersoorten komen er 4 in Europa voor:

  • Grey Wagtail of Motacilla cinerea cinerea Tunstall, 1771 

in geheel Europa, behalve de Atlantische eilanden. 

 

  • Azores Grey Wagtail of Motacilla cinerea patriciae Vaurie, 1957 

op de Azoren: Furnas, São Miguel. zie ook INaturalist of You tube.

 

  • Madeiran Grey Wagtail of Motacilla cinerea schmitzi Tschusi, 1900  heeft een donkerdere rug dan de nominaat.

op Madeira. zie ook birding madeira of madeira birds.

 

  • Canarian Grey Wagtail of Motacilla cinerea canariensis E. J. O. Hartert, 1901 

op de Canarische eilanden. zie ook INaturalist of You tube. 

 

Terug

Gele kwikstaart | soortbeschrijving

Het geluid van de gele kwikstaart is een hoog, enkelvoudig, oplopend 'tswie' en de zang is een triller. 

 

De gele kwikstaart loopt afwisseld met rennend met een sprintvluchtje, op zoek naar voedsel, voornamelijk bodembewonende spinnen en insecten, vooral kevers, vliegen, muggen, wantsen en cicaden, tussen grazend vee. Ze pikken de insecten op die door het vee worden opgejaagd. Soms aangevuld met zaden.

Gele Kwikstaart KLEIN Ivo van den Berg

Gele kwikstaart ©Ivo van den Berg

 

Ze broeden 1 tot 2 keer per jaar van eind april tot in juli. Het nest wordt goed verstopt op de grond. Het legsel bestaat meestal uit 4 tot 6 eieren, die 12 tot 14 dagen worden bebroed. De jongen verblijven 10-13 dagen in het nest, waarna ze binnen enkele dagen goed kunnen vliegen.

 

Gele kwikstaarten trekken overdag in groepen in zuidelijke tot zuidwestelijke richting, via Frankrijk en het Iberisch Schiereiland naar Afrika. De meeste overwinteren in het Sahelgebied. Doortrekkers zijn vanaf eind maart tot in mei en vanaf half augustus tot eind september te zien in Nederland.

gelekwik KLEIN Geert Lamers

Gele kwikstaart ©Geert Lamers

 

Van de 11 ondersoorten, worden er verschillenden in Nederland waargenomen. 

Yellow wagtails

Yellow Wagtails ©BirdingNetherlands

 

Gele kwikstaart (nominaat) of Blue-headed Wagtail of Motacilla flava flava Linnaeus, 1758

De man heeft een blauwgrijze kop met een brede witte wenkbrauwstreep en baardstreep, gele keel met soms wit op de kin, wat niet doorloopt in de nek, zoals bij de Motacilla flava beema. De onderkant is geel en de bovenkant olijfgroen, spitse snavel. In zijn prachtkleed heeft hij een duidelijke gele keel en borst. 

De vrouw lijkt op de man is is over het geheel valer van kleur.

Broedgebied: van zuid Scandinavië naar Frankrijk en de bergketens van Centraal Europa, oostelijk naar het Oeralgebergte.

Overwinteringsgebied: Afrika, ten zuiden van de Sahara

 

Engelse kwikstaart of British Yellow Wagtail of Motacilla flava flavissima (Blyth, 1834)

De man heeft een geelgroene kop met een heldergele wenkbrauwstreep. De onderkant is geel en de bovenkant olijfgroen.Broedgebied: Engeland, Ierland, Kanaaleilanden en aangrenzende kustgebieden van Europa. In Nederland, met een klein aantal, in de bollenstreek.(open landschappen)

Overwinteringsgebied: West-Afrika (Senegal en Gambia)

 

Noordse kwikstaart of Grey-headed Wagtail of Motacilla flava thunbergi Billberg, 1828

De man heeft een zeer donker blauwgrijze kop, vaak tegen zwart aan, reikend tot aan zijn wangen, gele keel en geen wenkbrauwstreep, maar kan een kleine witte baardstreep hebben. Nek en mantel zijn minder contasterend dan bij Motacilla flava feldegg.

Broedgebied: centraal en noord Scandinavië en noord Estland richting het oosten naar Siberië tot de Kolyma rivier.

Overwinteringsgebied: Afrika, ten zuiden van de Sahara, mogelijk ook noordoost Afrika en zuidoost Azïe.

De Noordse kwikstaart broedt in Scandinavië en passeert Nederland op weg naar Afrika. Tijdens deze trekperiodes zijn ze te zien in Nederland. Let dus goed op, het is mogelijk om een Noordse kwikstaart te zien tussen groepen kwikstaarten. Ze zijn in het najaar wat moeilijker te onderscheiden van gele kwikstaarten maar in het voorjaar valt de geheel donker kop van de man goed op.

 

Balkan kwikstaart of Black-headed Wagtail of Motacilla flava feldegg Michahelles, 1830

De man heeft een zwarte kopkap, gele geel en een sterke contrasterende lijn tussen zwart in de nek en de bruingroene mantel.

Broedgebied: oost-Europa, Balkan (Slovenië,Kroatië, Bosnië&Herzegovia,Servië, Montenegro, Kosova, Macedonië, Albanië, Griekenland, Bulgarije en Europees Turkije), Roemenië, Oekraïne en Turkije verder richting het oosten, zuidoosten.

Overwinteringsgebied: Afrika; Nigeria, Soedan, Oeganda, Rwanda, Burundi en Democratische Republiek Congo

 

'Iberische' gele kwikstaart of Iberian Yellow Wagtail of Motacilla flava iberiae E. J. O. Hartert, 1921 

De man heeft een donkerblauwe kop met een helderwitte wenkbrauwstreep.

Broedgebied: Iberisch schiereiland (Spanj en Portugal), zuidoost Frankrijk en noordwest Afrika zuidwaarts tot de Banc d’Arguin eilanden (Mauritanië).

Overwinteringsgebied: west en noord-centraal Afrika.

 

Witkeelkwikstaart of Ashy-headed Wagtail of Motacilla flava cinereocapilla Savi, 1831

De man heeft een donkerblauwe, zogenaamde askleur, kop met een smalle, kleine wenkbrauwstreep achter het oog, witte keel.

Broedgebied: Italië met de mediterrane eilanden, Sardinië en Sicilië, zuidwest Slovenië en noordwest Kroatië.

Overwinteringsgebied: Afrika, langs de mediterrane kust, Mali oostwaarts richting het Tjsaadmeer.

 

'Sykes' gele kwikstaart' of Sykes' wagtail of Motacilla flava beema (Sykes, 1832)

De man heeft een lichtgrijze kop, lijkt op de M.f.lutea, maar 'uitgewassen' witte oorvlekken.

Broedgebied: Upper Volga rivier oostwaarts richting zuidwest Siberië, Kazakhstan en het Altajgebergte, het Himalaya gebergte, Ladakh tot noord Kashmir.

Overwinteringsgebied: Indian subcontinent (India, Bangladesh, Bhutan, Nepal, Sri Lanka and Pakistan), Arabië en oost Afrika.

 

'Geelkop kwikstaart' of Yellow-headed Wagtail of Motacilla flava lutea (S. G. Gmelin, 1774)

De man heeft een gele kop en een groene nek, patronen op de kop zijn minder dan bij andere kwikstaarten, lijkt op de man van de citroenkwikstaart of Citrine Wagtail (Motacilla citreola)

Broedgebied: zuidwest Rusland tussen de Lower Volga rivier en de Irtysh rivier, noord Kazakhstan oostwaarts tot het Chany meer en het Zaysan meer.

Overwinteringsgebied: Afrika en het Indian subcontinent (India, Bangladesh, Bhutan, Nepal, Sri Lanka and Pakistan)

 

Niet erkende ondersoorten:

Motacilla flava 'superciliaris' uit zuidoost Rusland, lijkt op M. f. feldegg, maar heeft een witte wenkbrauwstreep (feldegg x flava or beema

Motacilla flava 'domdrowski' uit Roemenië, lijkt op M. f. flava, maar met donkere oorvlekken (feldegg x flava or beema / thunbergi x flava or beema)

Terug

Witte kwikstaart | soortbeschrijving

De witte kwikstaart (Motacilla alba) is een slanke vogel, 16½-18cm, met smalle, zwart-witte staart die hij voortdurend op en neer beweegt. Het volwassen mannetje weegt 20-24,6 gram en heeft een kenmerkend zwart-wit patroon op de kop, witte oogrand, zwarte kopkap en borststuk. Het vrouwtje weegt 17,6-21,9 gram. De witte kwikstaart heeft een lange staart die voortdurend heen en weer wordt bewogen en een diepe golvende vlucht.

 

De witte kwikstaart gebruikt het meest de schelle roep, "tsi-tsick!" en in het territorium een vloeiend "tsji-liét", maar kan ook langdurig en gevarieerd zingen.

Witte kwikstaart KLEIN Herm Nelissen

Witte kwikstaart ♂ ©Herm Nelissen

 

De witte kwikstaart zoekt meestal lopend op de grond voedsel, op platteland, akkers, gorzen en slikken, graslanden, oevers, park en tuin, golfbanen, stedelijk gebied, industrieterreinen en op meer uitgestrekte weilanden. Ze kunnen meelopen achter ploeg of trekker op zoek naar een hapje, rennen voortdurend achter insecten aan, soms met korte vluchtjes. Hun voedsel bestaat uit insecten, vooral muggen, vliegen, libellen, vlinders en hun larven. 

Witte Kwikstaart KLEIN Geert Lamers

 Witte kwikstaart ♀ ©Geert Lamers

 

Ze broeden van april tot augustus, 2 keer per jaar op het platteland, in schuren, nissen, onder dakpannen, maar ook in slootkanten, onder bruggen en in de zeereep, meestal in de menselijke omgeving.. Het legsel bestaat meestal uit 4-6 blauwe, grijze of geelachtige eieren met grijze vlekjes, die 12-14 dagen worden bebroed. De jongen vliegen na 13-14 dagen en worden daarna nog 4-7 dagen gevoerd door de ouders.

 

Vanaf half september tot eind november trekken de Nederlandse witte kwikstaarten in zuidwestelijke richting via het Iberisch schiereiland naar Marokko. Doortrekkers zijn in het hele land vanaf eind februari tot eind april, en in het najaar van half september tot half november te zien. In maart keren de Nederlandse witte kwikstaarten massaal terug en verblijven dan op drassige weilanden. Tijdens zachte winters schaars als overwinteraar.

1024px MotacillaAlbaDistribution.svg

Distribution White Wagtails ©L. Shyamal (wikipedia.en)

 

De ondersoorten die in Nederland voorkomen zijn:

 

De nominaat of White-faced Wagtail (Motacilla alba alba) broedt in Groenland, IJsland, Faeröereilanden en in Europa tot het Oeralgebergte richting het oosten. De man is zwart-wit met witte vleugelstrepen en zwarte keel in prachtkleed. Het vrouwtje is minder uitgesproken zwart-wit getekend. De juveniel is valer en hebben veel wit op de kop.

De meest voorkomende ondersoort, de rouwkwikstaart of Pied Wagtail (Motacilla alba yarellii) broedt op de Britse eilanden, de kanaaleilanden en aan de westkust van Europa. De man heeft een zwarte rug die overgaat in zwarte kopkap, het zwart van de keel loopt door aan de zijkant van de nek. In andere kleden te herkennen aan de zwarte stuit en donkergrijze flanken en meer wit in de vleugel. 

 Terug

Kwikstaarten | soortbeschrijving

Kwikstaarten, geslacht Motacilla, uit de familie van de kwikstaarten en piepers (Motacillidae). Kwikstaarten hebben een lange staart. Ze zijn contrasterend getekend in wit, zwart en geel of blauwgrijs met vrij duidelijke geslachtsverschillen. Het zijn vogels die de meeste tijd op de grond doorbrengen, speurend naar insecten. Ze komen voor in Europa, Afrika en Azië.

 

Het geslacht telt 13 soorten, waarvan er 3 in Nederland voorkomen.

Sommige andere soorten of ondersoorten worden soms waargenomen.

 

Terug

Huiszwaluw | soortbeschrijving

De huiszwaluw (Delichon urbicum) is een vogel uit de familie van zwaluwen (Hirundinidae) en dankt zijn naam aan zijn gewoonte om te broeden tegen gebouwen. In tegenstelling tot de boerenzwaluw maakt de huiszwaluw zijn nest meestal aan de buitenkant van een woning. Een paartje bouwt samen het nest en kiest als locatie meestal een gebogen hoek onder een overhang, zodat het nest aan meerdere zijden bevestigd kan worden. Ze hebben kennelijk een voorkeur voor schuin overhangende dakranden boven dakranden die loodrecht op de gevel staan. Het is een dagactieve vogel en bevindt zich vrijwel altijd in grote kolonies met soortgenoten en andere zwaluwsoorten, waarmee hij samen roest, broedt en jaagt.

 

 Lengte  13 - 15 cm
 Vleugelspanwijdte  26 - 29 cm
 Gewicht  13,3 - 23 gram, gemiddeld 18
   
   

 

Het verenkleed is blauwzwart op de bovenkant, bovenste helft van de kop en korte, lichtgevorkte staart met uitzondering van het gedeelte achter de vleugels, dat wit is, zoals aan de onder- of buikzijde. Bruine ogen, kleine zwarte snavel en korte, roze poten, die voor een groot gedeelte bedekt zijn met witte veren. Er is geen verschil tussen het mannetje en het vrouwtje. De juveniel mist de blauwe gloed in zijn zwarte veren en heeft bovendien witte vlekken en randen op zijn veren.

 

De huiszwaluw heeft een ingetogen, borrelende, kwetterende zang en een raspende roep.

 

Het voedsel van de huiszwaluw bestaat voornamelijk uit vliegende insecten, voornamelijk vliegen en bladluizen, die hij in de vlucht vangt op een gemiddelde hoogte van 21 meter. Ze jagen binnen een straal van 450 meter rond het nest en maken lange glijvluchten en sparen zo meer energie dan de meeste andere insectenetende vogels. Ook volgen ze regelmatig dieren of landbouwvoertuigen die insecten verstoren, gemakkelijker voedsel vangen. Een behendige vlieger en zelfs in staat om tijdens de vlucht water te drinken. In Europa komen meer zwaluwen voor, met uitzondering rond de Middellandse Zee; zoals de boerenzwaluw die zich vooral met grotere insecten voedt, de oeverzwaluw  die overwegend op kleinere insecten jaagt en de nachtzwaluw die in de schemer en nacht vliegt. In het wintergebied jaagt de huiszwaluw op een gemiddelde hoogte van 50 meter en voedt hij zich vooral met vliegende mieren en andere vliesvleugeligen. Er bestaat geen voedselconcurentie door deze verschillende voedingspatronen en de grootte en aantal van de insecten. 

 

De huiszwaluw broedt gewoonlijk in kolonies waarin de nesten zo dicht op elkaar worden gebouwd dat ze elkaar vaak raken. Gewoonlijk bevinden zich minder dan tien broedpaartjes in een kolonie, maar er zijn kolonies aangetroffen met duizenden nesten. Het komvormig nest wordt gebouwt van klei en zand.  Per jaar worden er 2 broedsels grootgebracht, waarbij de jongen van het eerste broedsel vaak hun ouders helpen bij het grootbrengen van hun broertjes en zusjes. Het nest wordt goed onderhouden en gerepareerd, tweemaal gebruikt per jaar, tot zelfs jaren. Het legsel bestaat uit 4 tot 5 witte eieren (1,9x1,33cm groot en 1,7 gram zwaar), die 14 tot 16 dagen worden bebroed. De jongen verblijven 22 tot 32 dagen in het nest, afhankelijk van het weer. 

 

De juvenielen verzamelen zich in de herfst, in groeiende zwermen in bomen of op daken. Vanaf eind juni tot oktober start de trek naar hun overwinteringsgebieden. Tussen half april en juni, met een piek in mei, keren ze terug uit hun overwinteringsgebied naar hun broedgebied.

Terug

 

Boerenzwaluw | soortbeschrijving

De boerenzwaluw (Hirundo rustica) is een vogel uit de familie zwaluwen (Hirundinidae). Zijn naam verwijst naar de voorkeur van zijn broedgebied, ze bouwen de nesten o.a. in boerderijen, schuren en stallen op het platteland. Dit is terug te zien in de Engelse naam 'barn swallow', wat 'schuurzwaluw' betekend en in het Frans 'hirondelle rustique', wat 'landelijke zwaluw' betekent. Zelfs in de wetenschappelijke naam 'Hirundo rustica' wordt naar het platteland verwezen. Reeds duizenden jaren leeft de boerenzwaluw in de nabijheid van de mens, zoals onder andere blijkt uit vermeldingen in de literatuur van de Oude Wereld. Als aankondiger van de lente wordt de boerenzwaluw door veel boeren gezien als brenger van geluk, terwijl hij bij zeelieden symbool staat voor een veilige thuisvaart. 

Boerenzwaluw KLEIN Herm NelissenBoerenzwaluw ((Hirundo rustica) ©Herm Nelissen

 

De boerenzwaluw is een opvallende verschijning door zijn blauwzwarte verenkleed met een lange gevorkte staart en door zijn grote wendbaarheid in de vlucht tijdens de jacht op vliegende insecten, hoofdzakelijk muggen. Rood voorhoofd en kin met een zwarte borstband. Het lichaam is roomwit, slank en gestroomlijnd, erg korte nek en lange smalle vleugels, dus goed uitgerust voor een lange vlucht. De korte poten en kleine tenen hebben weinig spieren in vergelijking met die van andere vogelsoorten en worden relatief weinig gebruikt om te rusten of zich vast te houden. Met de korte, brede snavel vangen ze grote insecten en om te drinken vliegen ze vlak boven het wateroppervlak en steken hun snavel in het water.

 

Bij het mannetje zijn de buitenste staartpennen aanzienlijk langer dan bij het vrouwtje, wat geslachtsbepaling vergemakkelijkt. Verder zijn bij het vrouwtje de blauwzwarte veren doffer van kleur, de onderzijde van hun vleugels bleker, het gewicht gemiddeld meer dan het mannetje. Ook heeft het vrouwtje een grotere snavel en grotere poten. De juveniel lijkt sterk op de volwassenen, maar heeft wat kleine verschillen in het verenkleed, zoals de donkere veren zijn aan de bovenkant bruiner en doffer, de lichte veren aan de onderkant witter en de steenrode veren op keel en voorhoofd bleker. Bovendien heeft een juveniel nog niet de lange, diep gevorkte staartveren. 

 

 Lengte  14,5-20 cm, gemiddeld 17-19 cm
 Vleugelspanwijdte  ♂ 32-34,5 cm
 Gewicht  ♂ 16-22 gram ♀ tot 24 gram
   
   
   

 

Ze maken een kwetterend, zeer snelle zang tijdens de vlucht en bij het nest.

 

De boerenzwaluw broedt in in los kolonieverband, tussen mei en augustus, in landelijke gebieden met voldoende water. Koppels metselen hun nest van modder, klei en leem, vermengd met speeksel op randen en richels in koeien-, varkens- of paardenstallen, maar ook onder bruggen of aan sluizen of onder brede dakoverstekken. Het legsel bestaat uit 2 tot 7 eieren, meestal 3 tot 6, die 12 tot 16 dagen worden bebroed. De jongen verblijven 20 tot 24 dagen in het nest en met slecht weer zelfs langer. Ze brengen in het broedseizoen twee of drie broedsels groot, alvorens weer naar de overwinteringsgebieden te trekken.

 

Een groot deel van zijn leven brengt de boerenzwaluw in de lucht door. Het is een trekvogel, dagtrekker, die grote afstanden aflegt. In september en oktober verzamelen ze zich voor de lange groepsreis naar het zuiden. De Nederlandse boerenzwaluwen, overwinteren in west- en centraal-Afrika, tussen Ivoorkust en Angola, waarna ze in de lente, tussen eind maart en begin juni, met een piek in mei, terugkeren naar ons land  trekken voor de voortplanting.

Terug

 

 

Aalscholver | soortbeschrijving

De aalscholver (Phalacrocorax carbo), ook wel scholver, scholverd, schollevaar of koolgans genoemd, is een tamelijk grote en opvallende vogel, is 80 tot 100 cm lang met een vleugelspanwijdte van 121 tot 149 cm. De aalscholver voorkomend in West-Europa behoort tot de familie van de aalscholvers (Phalacrocoracidae).

{gallery rotator_delay=2000 preview_padding=3 lightbox_slideshow=3000 lightbox_autostart=1}aalscholver ID{/gallery}

 

De aalscholver lijkt vrijwel geheel zwart, maar is grotendeels diep bronsgroen. Elk bovenvleugelveertje heeft een subtiel zwart randje, waardoor de aalscholver als zwart aangezien wordt. Het geeft een geschubd uiterlijk. Ze hebben een opvallende witte wang en een gele plek op de plaats van de aanhechting van de bek. De snavel is lang met een haakvormige punt. In de broedtijd, tussen februari en juni, zijn ze het mooist van kleur. Er verschijnt er een witte "dijvlek". (anatomisch geen dij, maar het bevederde scheenbeen (tibia)), witte wangen en zilverwitte manen op kruin en nek. De onbevederde keel kleurt geel. Dit prachtkleed verdwijnt in de loop van het broedseizoen.

 

Tussen de voortenen heeft de aalscholver zwemvliezen en kan dus zwemmen. Door te duiken wordt de levende vis gevangen, zoals voorn, baars, snoekbaars en paling. Een aalscholver eet dagelijks zeker 500 gram vis, maar in de broedtijd kan dit oplopen tot 1000 gram per vogel bij een nest met drie halfvolgroeide jongen. Dat is de reden waarom de beroepsvissers de aalscholver aanmerken als een van de oorzaken van de achteruitgang van de visstand, zoals de palingstand, maar ieder wetenschappelijk bewijs daarvoor ontbreekt.

Hun vlucht is stevig en resoluut, ze vliegen in strakke lijn naar hun bestemming. Vertrouwd is ook het beeld van aalscholvers met gespreide vleugels om ze te laten drogen. 

 

Buiten het broedseizoen is hun geluid zelden te horen, maar in de kolonies zijn ze erg luidruchtig. Diverse lage keelklanken; volwassen vogels roepen vaak 'rraaaahhh", de jonge vogels kokken en kekkeren. 

 

Aalscholvers broeden in kolonies en de broedperiode begint vroeg, soms al in december. De tweede legsle al vanaf half april, maar wel lagere aantallen. Zo zijn de kolonies tot eind augustus bezet. Tweede legsels vanaf half april, maar lagere aantallen. De kolonies liggen, dicht bij visrijk water, in het binnenland, in moerasbossen, aan de kust ook in duinen, kwelders en op eilanden. De nesten bevinden zich meestal in bomen, maar soms ook op de grond of in riet. Het baltsritueel vindt plaats op nest, waarbij overvliegend vrouwtje aangetrokken wordt door onder meer de fel afstekende witte dijen. Het legsel bestaat gemiddeld uit 3 tot 4 eieren, die 27 tot 31 dagen worden bebroed. De jongen vliegen na zo'n 50 dagen uit, maar blijven nog een tijdje bij het nest.

Aalscholvers uit West-Europa verspreiden zich of trekken zuid tot zuidwestwaarts naar open meren of kustgebieden, tot aan Tunesië. Bij streng winterweer trekken onze aalscholvers weg, overwegend zuidwaarts tot aan Middellandse Zee. Tijdens de trek en in de winter verblijven in ons land ook aalscholvers uit het Oostzeegebied en Noord-Duitsland. 

Terug

Blauwe reiger | soortbeschrijving

De blauwe reiger (Ardea cinerea) is een vogel uit de reigerfamilie (Ardeidae), een vlees- en viseter, zoals vissen, kreeften, amfibieën, insecten en kleine zoogdieren (muizen en mollen). Een grote vogel met een lengte van ongeveer 90 tot 98 centimeter, met een lichaamsgewicht tot 2 kilogram. Het mannetje en het vrouwtje zien er ongeveer hetzelfde uit, beide geslachten hebben een grijze bovenzijde, grijze vleugels met zwarte vleugeluiteinden en een grijze staart. De kop is wit met een zwarte rand om het oog, die doorloopt in de kuif, een witte hals heeft een witte kleur met zwarte lengtestrepen aan de voorzijde en een lichtgrijze buik. De snavel is geel tot geeloranje, dolkvormig, maar kleurt in de broedtijd soms naar roodachtig. De poten zijn bruin, soms roodbruin, en lang.

 

 

De reiger vliegt met langzame, zware en diepe vleugelslagen, matig snel, soms een kleine zweefvlucht. De nek is tijdens de vlucht s-vormig ingetrokken en de poten steken achter het lichaam uit, vleugels zijn rond, met zwarte uiteinden en een zwarte band over de achtervleugel.

Als onderscheid tussen andere soorten reigers kun je de blauwe reiger herkennen aan een relatief grote lichaamslengte, grijze bovenzijde, witte kop en hals met brede, zwarte streep van het oog naar de zwarte, sierlijk afhangende kuif.

 

In de vlucht laat de blauwe reiger een diep, rauw "schraatsj" of "grrèngk" horen. In het vroege voorjaar, ook in de nacht, een baltsroep van de man op het nest. Op het nest snavelgeklapper en verschillende rauwe, krassende en kokkerende geluiden, ook van de jongen.

 

De blauwe reiger broedt van februari tot in juni, in bomen, struiken of riet en tegenwoordig ook in stedelijke gebieden. Het nest is vrij groot en plat en bestaan uit takken, gevoerd met takjes, gras en veertjes.  Het enige legsel per jaar bestaat uit 3 tot 5, zelden 6, ongevlekte, bleek blauwgroene eieren zonder glans, gemiddeld 60x43 mm, vaak bevuild, die ongeveer 23 tot 28 dagen worden bebroed door zowel het mannetje als het vrouwtje, vanaf het eerste ei. De jongen blijven zo'n 50 dagen op het nest en daarna nog zo'n 10 tot 20 dagen bij het nest.

De vogel is een solitaire soort, maar broedt in grotere of kleinere kolonies. 

 

De habitat bestaat uit vochtige weiden, sloten, meren, rivieren en de (Wadden-)zeekust in het verspreidingsgebied; Europa, Zuid-Azië (behalve Iran) en in meer geïsoleerde gebieden zoals Zuid-Afrika en Madagaskar. De broeddichtheid is nergens in Europa zo groot als in Nederland. Vorst is een probleem voor blauwe reigers; veel reigers trekken daardoor in de winter weg. Degene die besloten hebben om te blijven kunnen sterven als de vorst dan aanhoudt.

Terug

Nachtzwaluw | soortbeschrijving

De nachtzwaluw (Caprimulgus europaeus) is een vogel uit de familie van de nachtzwaluwen (Caprimulgidae), NIET verwant met de zwaluwen of met de gierzwaluwen. Soms ook 'geitenmelker', de letterlijke betekenis van de Latijnse naam Caprimulgus.

 

 Grootte  24,5 tot 28 cm
 Gewicht ♂ 51–101 g / ♀ 67–95 g
 Vleugelspanwijdte 52 tot 59 cm
 Verenkleed schutkleur; grijzig en kastanjebruin gestreept
 Snavel zwart
 Poten roodbruin
 Kenmerken ♂ witte vlekjes op de handpennen en witte uiteinden van de staartveren
 Juveniel vaalgeel

 

De nachtzwaluw is een vogel van het donker, tijdens de avond en de nacht vangen ze in hun vlucht meestal grote insecten, zoals nachtvlinders, libellen, kevers en vliegen. Karakteristiek is het ratelende geluid "Tjurrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrr....urrrrrrrrrrrrrr", dat van ver te horen is, meestal alleen in het donker en in de broedtijd. Tijdens de balts slaan ze ook met hun vleugels tegen elkaar en bij het zien van een een vrouwtje vertraagt de man de ratel. De roep is een nasaal "Krullet". De meesten vinden dit onmiskenbare ratelende geluid lijken op een kwakende kikker samen met een tjilpende krekel.

 

 

In Nederkand broeden ze op de Veluwe en in Brabant, maar er zijn ook kleinere populaties in Drenthe, Limburg, Overijssel en op enkele plaatsen in de duinen. Ze broeden van mei tot augustus op heidevelden, zandverstuivingen en open dennenbossen, op de grond en op de kale bodem met 1 tot 2 broedsels per jaar. Ze maken geen nest, de eieren liggen op de grond, op de klae bodem onder een boom, bosje of struik. Het legsel bestaat uit 1 tot 2 eieren, die 17-21 dagen worden bebroed, vanaf het moment dat beide eieren gelegd zijn. Alleen het vrouwtje broedt en als zij aan een tweede nest begint, neemt de man het eerste nest over. De jongen zijn zelfstandig met 30 tot 35 dagen en beginnen vanaf de 15e dag met vliegoefeningen. Het is een langeafstandstrekker die in tropisch, vooral oost en zuidwest, Afrika en vertrekt vanaf eind augustus, soms al in juli, tot oktober/november in zuidwestelijke richting. Vanaf maart trekken ze weer terug om in april-mei weer in het broedgebied aan te komen.

 

Caprimulgus europaeus distr

Verspreidingsgebied zomer (oranje) en winter (blauw) van de nachtzwaluw ©nl.wikipedia.org

Terug