Kerkuil (Tyto alba) | soortbeschrijving

De kerkuil is een vogel die erg tot de verbeelding spreekt en is omhuld door de mystiek van de nacht. Als een witte geest doorklieft zijn verschijning de duisternis. Zijn angstaanjagend nachtelijk gekrijs gaat door merg en been en een ontmoeting met een kerkuil zal menig mens derhalve nog lange tijd heugen. Zeker als deze ontmoeting plaatsvindt in het diepst van de nacht.

 

Kerkuil Tyto alba  
lengte ♂ 32-38 cm, ♀ 34-40 cm; maatvariaties in de ondersoorten: 29-44 cm (Europa en Noord-Afrika)  
vleugelspanwijdte 80 - 95 cm      
gewicht ♂ tot 470 gram, ♀ tot 570 gram: ondersoorten: gemiddeld 187-455 gram (Europa en Noord-Afrika);  
broedperiode eind maart tot soms ver in het najaar, 1 tot 3 legsels per jaar  
legsel 4-7 spierwitte eieren; in muisrijke jaren tot 12  
broedtijd ongeveer 30 dagen, de jongste kan enkele weken jonger zijn dan de broer/zus  
uitvliegen na ongeveer 9 weken  
takkeling na het uitvliegen tot 13 weken oud  
in territorium  
volwassen de kerkuil kan al met 10 tot 11 maanden oud voor nageslacht zorgen  

De kerkuil heeft een prachtige hartvormige gezichtssluier, het witte verenkleed op de borst en de goudbruine vleugels kenmerken deze nachtvogel in al zijn schoonheid. kerkuilen zijn tussen de 33 en 39 cm groot en hebben een vleugelspanwijdte van ongeveer 1 meter. Deze uil jaagt 's nachts en houdt zich overdag schuil in oude gebouwen zoals boerenschuren, kerktorens en ruïnes. Deze gebouwen dienen tevens als broedlocatie voor de kerkuil, het is een vogel met een voorliefde voor oude gebouwen. De uil is een echte bewoner van het cultuurlandschap, ze komen dan ook voor in biotopen met kleinschalig (half-) open landschappen met houtwallen, akkers, weilanden en ruigtes. Dit is dan ook het jachtterrein van deze nachtbraker. De aanwezigheid van een kerkuil in een gebouw is duidelijk herkenbaar aan de lange witte kalkstrepen op muren, balken en op de grond. Daar vindt men dan meestal ook braakballen Deze zwarte of grijze braakballen zijn ongeveer 3 tot 6 cm groot met een breedte van ongeveer 2 cm.

 

Het voedsel van de kerkuil bestaat hoofdzakelijk uit veldmuizen, dit wordt aangevuld met huisspitsmuizen en bosspitsmuizen. Bij voedselschaarste jagen ze ook op andere prooidieren zoals vogels en amfibieën. Kerkuilen kunnen tot tweemaal toe broeden in één jaar en er zijn zelfs gevallen waarbij kerkuilen 3 maal per jaar broeden, dit zijn echter uitzonderingen. Een broedsel van een kerkuil bestaat meestal uit 4 tot 7 witte eieren. De eileg vindt met name plaats in de periode maart/april. De jonge kerkuilen de eerste weken in wit donskleed gehuld. Na een aantal weken komen de veren tevoorschijn en lijken ze meer en meer op hun ouders. Na 10 weken zijn ze vrijwel niet meer te onderscheiden van hun ouders. Wanneer de jonge kerkuilen ongeveer een paar weken oud zijn beginnen ze te blazen. Dit geluid is meestal duidelijk hoorbaar tijdens de schemering en lijkt veel op het gesis van een kat. Na 3 à 4 maanden worden jonge kerkuilen verjaagd door hun ouders en gaan zij op zoek naar hun eigen territorium. 

 

Jarenlang stond de kerkuil in de publiciteit vanwege zijn bedreigde status in Nederland. Vooral een opeenvolging van strenge winters met veel sneeuw (jaren '60 en '70), was er schuld aan dat de populatie kerkuilen daalde tot enkele tientallen paren. Het dunne verenkleed van de kerkuil is niet in staat om de warmte goed vast te houden en bij hevige sneeuwval kunnen er geen prooidieren meer gevonden worden. Verder was de overlast van duiven en andere vogels in gebouwen zoals kerken, oorzaak van het verdwijnen van de kerkuil in Nederland. De gebouwen werden ontoegankelijk gemaakt voor vogels. Hierdoor verdwenen veel potentiële broedplaatsen. Ook de intensivering van de landbouw, het verdwijnen van oude gebouwen en ruige overhoekjes en de effectievere muizenbestrijding kwamen de kerkuil niet ten goede. Tevens heeft de kerkuil veel te lijden door de toename van het verkeer, momenteel de belangrijkste doodsoorzaak. De kerkuil kwam op de Rode Lijst der bedreigde en kwetsbare vogels terecht. Om de kerkuil bij te staan werd een "Soortbeschermingsplan" ontwikkeld door Vogelbescherming Nederland (1996). Om nestgelegenheid te bieden werden nestkasten gemaakt. Deze werden door vrijwilligers opgehangen in boerderijschuren, kerkzolders e.d. Dankzij het "Soortbeschermingsplan" en de grote inzet van talloze vrijwilligers, heeft de kerkuil weer een prominente plaats verworven in ons landschap. De populatie kerkuilen in Nederland naderde in 2005 de 3000 broedparen en bedroeg in 2006 1990 broedparen. Deze fluctuatie wil echter niet zeggen dat het aantal broedparen is afgenomen, de muizencyclus heeft grote invloed op het al dan niet broeden van kerkuilen.

Terug