Jong vogeltje gevonden, wat nu?
In deze tijd van het jaar kan het gebeuren dat je een jong vogeltje vindt dat er hulpeloos uit lijkt te zien. Wat nu te doen? In negen van de tien gevallen zijn de ouders in de buurt en hoef je niets te doen. Maar heel soms is er wél iets aan de hand. De vogelbescherming geeft in de link hieronder in zes vragen en antwoorden precies weer wanneer je ingrijpt (en wanneer niet):
Wat moet je (niet) doen?
Klik hier voor:
Jaarverslag 2025
Krooneenden een schoonheid op het water.
Enkele weken geleden zijn we met de Vogelwerkgroep op weekend geweest. Deze keer naar de noord-Veluwe dus kort aan de Randmeren. We hebben daar naast heel veel andere vogels, ook vrijwel alle watervogels die men in deze tijd in Nederland kan verwachten gezien. Voor mij was daarbij de Krooneend wel de mooiste van onze inlandse eenden. De prachtige oranjerode kuif en de felrode snavel en ogen bij het woerdje, in combinatie met de zwarte borst vind ik prachtig.
Over het feit of het een inlandse eend is, is in het verleden veel discussie geweest. Vooral in de beginjaren werd veel aangenomen dat dit nakomelingen waren van ontsnapte of vrijgelaten dieren uit watervogel collecties. Er hebben verschillenden mensen hier onderzoek naar gedaan. En na het lezen van hun verslagen, kom ik tot de conclusie dat het een inheemse soort is en wel om het volgende. In de tweede helft van 1800 werd hier melding van gemaakt. Al in 1863 melde ene Wickevoort Crommelin over de aanwezigheid van deze vogels en uitwisselingen met buitenlandse populaties. Er zijn zelfs aanwijzingen dat deze soort toen ook al hier broedde. In 1911 wordt melding gemaakt van op twee verschillende plaatsen geschoten woerdjes en eendjes. Later werden er meer meldingen over gedaan. Echter het heeft tot 1942 geduurd voor de eerste vier nestvondsten werden gedaan in de Botshol ten noorden van de Vinkeveense plassen. Dat sluit echter niet uit, dat ze hier niet eerder hebben gebroed. Hoewel hun bekende en meest voorkomende verspreidingsgebied zich in zuid- en oost Europa en Azië bevindt, werden er eind jaren 50 van de vorige eeuw grote aantallen in het najaar, van 650 in september 1953 tot wel 1600 in oktober 1965, op het Zwarte meer en Vollenhovens meer te zien. Deze moeten van buitenlandse populaties afkomstig zijn, zodat daarmee bewezen werd dat ze op eigen gelegenheid Nederland wisten te vinden en werden bovendien toen ook als trekvogel gezien. Hieruit heb ik geconcludeerd dat de krooneend toch tot de inlandse eenden gerekend mag worden. Na de eerste nestvondsten heeft de populatie in Nederland zich langzaam maar gestaag uitgebreid.
In de jaren 60 van de vorige eeuw kwam de klad in de populatie. Door verschillende oorzaken die we allen kennen, vervuilde het water. Het belangrijkste voedsel van Krooneenden zijn kranswieren en fonteinkruid. Deze hebben helder water nodig om te groeien. Hier kwam dus groot gebrek aan. Alleen in de Vinkeveense plassen bleef een kleine populatie over. Men spreekt zelfs van maar tien paren in 1990. De soort werd daarom toen op de rode lijst van bedreigde soorten geplaatst.
Door allerlei maatregelen begon rond de eeuwwisseling weer een toename. Waarbij vooral de Vinkeveense plassen en de Botshol de belangrijkste plaatsen waren voor herstel. Tegenwoordig komen ze ook veel voor in de Randmeren, langs de Friese kust en de Gouwzee boven Amsterdam. Volgens SOVON-vogelonderzoek is de huidige populatie tussen de 440 en 520 paren. In de winter trekken deze gedeeltelijk weg naar zuid Europese landen. Afhankelijk van de winter blijven er ongeveer 160 tot 470 achter in Nederland. Dan zijn er ook meer zuidelijk te zien, zoals op de waterleidingplassen in midden Limburg.
Foto@Geert Custers.
De Krooneend heeft ongeveer de grootte van een Wilde eend maar ze is ronder en gedrongener. Ook staan ze lager bij de grond. In het broedkleed heeft het woerdje een opvallende, roodbruine kop en een felrode snavel die scherp contrasteert met de kopkleur. Deze wordt nog eens benadrukt door een losse goudkleurige kuif. De ogen zijn rood. De borst, buik en onderstaartdekveren zijn zwart. De flanken zijn wit en de rug en vleugels zijn bruin. Een brede witte vleugelstreep en de witte voorrand van de vleugel zijn goed te zien als de vogel vliegt. De poten, tenen en zwemvliezen oranje geel, met enige zwarte schaduw.
Het eendje is wat kleiner en soberder gekleurd. Ze heeft een bruin verenkleed, waarbij de flanken en de nek iets lichter zijn dan de rug. Boven het oog is de kop donkerbruin. De wangen en de onderkant van de nek zijn echter lichtgrijs. De oog iris is donkerbruin. De snavel is donkerbruin met een lichtrode band aan de punt. Hoewel minder intensief laten de eendjes ook een witte vleugelband zien tijdens de vlucht. Poten en tenen grijsgroen met zwarte zwemvliezen.
Ik hoop dat deze prachtige eendjes zich snel uitbreiden zodat we er meer en gemakkelijker te zien zullen krijgen. N.B. Wil je jouw kennis vergroten over vogels of heb je een vraag? Stuur een mailtje naar info@vogelwerkgroephokske.nl en we helpen je graag verder. Bekijk ook onze
Tot een volgende keer. Toon Selten.
Futen, mooie vogels
Deze watervogel zien we in onze directe omgeving niet zo vaak. Maar wie verder van huis gaat ziet ze ongetwijfeld. Vooral in het westen van het land waar veel water is zitten ze overal. Ook in de steden komen ze veelvuldig voor op de grachten. Doch ook in onze omgeving op wat groter water, zoals de Maas en Maasplassen, maar ook op vennen in de Peel zijn ze te zien.
Vroeger werd er op deze watervogel gejaagd vanwege zijn mooie veren. Deze zijn in het voorjaar en zomer op z’n mooist. Daardoor is het aantal in de loop der tijd erg achteruit gegaan. Gelukkig hebben ze zich weer in aantal hersteld. Momenteel schat men het aantal broedparen in ons land weer op 11000 tot 16000. In de winter verblijft er ongeveer het dubbele aantal.
Ze hebben gelobde poten waarmee ze uitstekend kunnen zwemmen. Omdat de poten zover naar achteren staan kunnen ze op het land moeilijk lopen, maar uitstekend duiken.
Vooral om hun balts gedrag zijn ze bekend. We hebben dat allemaal wel eens op de TV gezien. Het kopschudden en elkaar wat aanreiken, is wel bekend. Vooral het synchroon maken van alle bewegingen maakt ze bijzonder. Dit gedrag is ook bekend bij andere futen soorten. Ze bouwen hun nest tussen het riet, vaak drijvend, samengesteld uit plantenresten, riet en ook dikwijls afval materiaal wat er op het water drijft. Uiterlijk is er geen verschil tussen man en vrouw. Het vrouwtje legt 3 of 4 vuilwitte eieren. Waarschijnlijk broeden ze allebei. De broedtijd is 25 tot 29 dagen. De kuikens krijgen van de ouders wat donsveertjes gevoerd.
Dit is waarschijnlijk om ze te leren eten, maar ook om hun maag te beschermen tegen de visgraatjes die ze ongetwijfeld binnen krijgen. Bekend is ook dat ze de eerste dagen veel op de rug van de ouders vertoeven. Kuikens fluiten hard om voedsel. Ze worden 10 tot 11 weken door de ouders gevoerd. Een enkele keer gaan ze over tot een tweede broedsel.
Als de jongen groot genoeg zijn vertrekken de ouders dikwijls naar grote wateren zoals het IJsselmeer en de Randmeren of in wateren van de Zeeuwse Delta om daar te ruien. In de winter verblijven ze ook met duizenden op zee samen met vogels die hier de winter doorbrengen. Het is een hele mooie sierlijke vogel die echt bij ons waterrijke landje hoort.
Tot een volgende keer Toon Selten. 
Kleine Zilverreiger
De Kleine Zilverreiger is iets kleiner dan de Grote Zilverreiger die we in onze streken vaker zien. Het is een opvallende sierlijke vogel met een zwarte snavel en zwarte poten met opvallend gele tenen en een lengte van ongeveer 65 centimeter. Bij volwassen vogels vallen in de broedtijd de sluiervormig afhangende sterk verlengde kruin- en schouderveren op.
Hij is de meest voorkomende witte reiger in Europa. De Kleine Zilverreiger heeft een groot verspreidingsgebied dat omvat bijna heel Afrika, Indonesië, Australië en Japan.
Bij ons is hij een zeldzame, onregelmatige zomergast. Vooral in de Zeeuwse delta en het Waddengebied is hij in de lente en zomer vrij regelmatig te zien. De Kleine Zilverreiger was bijna aan zijn schoonheid ten onder gegaan. Hij werd in het verleden zwaar belaagd om zijn sierveren aan zijn kruin, hals en schouders. Die werden vroeger gebruikt om hoeden en dure jurken te verfraaien. De soort stierf bijna uit maar door beschermende maatregelen heeft hij zich plaatselijk weer kunnen vestigen. Het aantal broedparen in ons land betrof in 2023: 100-115 paren waarvan de meeste op de Waddeneilanden. In Europa komen Kleine Zilverreigers vooral voor in Zuid-Europa, Nederland vormt zo’n beetje de noordelijke grens van hun verspreidingsgebied. Door klimaateffecten en bescherming zijn de aantallen in West-Europa toegenomen. De soort is erg gevoelig voor strenge winters, als hun foerageergebied dichtvriest kunnen ze niet meer bij hun voedsel en zullen er velen van honger sterven. Hun voedsel bestaat voornamelijk uit kleine visjes, stekelbaars, maar ook kreeftachtigen en
weekdieren. Het zijn voortreffelijke vissers waarbij ze druk heen en weer rennen om prooien te vangen. Hun voedsel zoeken ze bij voorkeur in ondiep water, in moerassen, in slootjes maar ook in geulen en kwelders.
Ze broeden bij voorkeur in kolonies maar bij kleinere aantallen ook in kolonies van Grote Zilverreigers, Blauwe Reigers en Lepelaars. De broedkolonies liggen aan de waterkant. Hun nesten bouwen ze in bomen vaak in dennen, populieren of wilgen, maar ook wel op de grond. Het nest wordt gemaakt van takken. Het mannetje belast zich met het zoeken naar bouwmaterialen die hij braaf naar zijn vrouwtje brengt. Zij construeert daar dan een klein, broos platvorm van waarop ze drie tot vijf blauwgroene eieren legt. Beide ouders broeden afwisselend in 25 dagen deze eieren uit. Daarna duurt het nog zeven weken voordat de jongen uitvliegen.
Om de winterse kou te ontwijken trekken de meeste Kleine Zilverreigers naar Afrika, maar een groot gedeelte van de populatie overwinterd tegenwoordig in Zuid-Europa. De trekkers gaan in de periode augustus-oktober op weg en keren in maart-april terug naar hun broedgebied. Al hebben de Europese populaties van de Kleine Zilverreiger zich gestabiliseerd er blijft toch reden tot zorg. Door veranderende teeltmethoden in de landbouw, ontwatering van moerassen en ook stadsuitbreiding gaan sommige populaties toch weer achteruit.
Tot een volgende keer: Jos Wijnen
Foto@Jos Wijnen
